Die van gisteren, hoe krijg ik die daar geplaatst?
Een wekelijks terugkerend verhaaltje uit 1800 en iets meer.
Vandaag over enige waarschuwingen, die in Laurousse's woordenboek aan schaatsenrijders gegeven werd.
24 januari 1881.
Het ijs moet minstens 5 centimeter dik zijn, als een schaatsenrijder zich erop waagt. Maar hoe dik het ook zij, men moet, vooral op kanalen, er niet op rijden, als het niet aan de kanten is stuk gestooten, zoodat het altijd op de oppervalkte van het water rust. Anders zal het ijs, bij laag water, zonder steun erboven hangen en bij den minstens schok breken.
Als een onvoorzigtige in het ijs is gezakt en, als bij instinct, de armen kruiselings heeft uitgestrekt, kan hij zich zeer goed boven houden in het gat, dat hij gemaakt heeft, door met zijn voeten een beweging te maken alsof men eene trap oploopt, terwijl zijn handen, zoover mogelijk van den kant, op het ijs steunen. Hij mag echter geen krachtige poging doen, om zich er uit op te trekken, want dan zou het ijs doen breken en hem doen zinken.
Zoo, met de armen op het ijs en de voeten in beweging om den bloedsomloop te onderhouden, moet hij wachten tot hem een touw toegeworpen en hij er uitgetrokken wordt.
Maar als daarop geen kans bestaat en hij genoodzaakt is zich-zelven te redden, dan moet hij een voorzigtige en herhaalde aanloopjes trachten uit het water te komen en dan plat op het ijs gaan liggen, dat hem in die houding, hoe dun het wezen moge, dragen zal.
Zoo kan hij hulp afwachten, of, wat nog beter is, naar den wal kruipen.
Voor hen, die, als zij door het ijs gevallen zijn, nog tegenwoordigheid van geest genoeg hebben, om zich deze wenken te herinneren en ze toe te passen, kunnen ze misschien nuttig zijn.
Tot zover deze week.
Uit het boek: Nederlandsche winters van weleer, Diekstra, ISBN 9042507075 KOK.
Foto: Auke Adema passeert de finish bij Schenkenschans, winnaar 11 stedentocht in 1941
Quote selectie