Van Dale:
voor·spel·len (ov.ww.)
1 vooraf aankondigen, bekendmaken dat iets zal gebeuren => prediceren, profeteren
2 (van zaken) beloven, doen verwachten
ver·wach·ten (ov.ww.)
1 denken dat (iets) zal gebeuren => iets tegemoet zien
2 willen, begeren
Notitie:
Als je goed leest is een voorspelling eigenlijk hetzelfde als een verwachting, waarbij het woord verwachting meer gebruikt wordt als je wat minder zeker van je zaak bent. Vandaar dat in weerberichten
altijd de term 'verwachting' gebruikt wordt.
Quote selectie