Samenvatting en voorlopige conclusies:
Op 1 februari viel (mot)sneeuw met sterke lokale verschillen uit een onderkoelde mistlaag met een temperatuur rond -4 graden en de top rond 200 meter lag.
De belangrijkste factoren om de kans op dit proces te vergroten zijn:
- de temperatuur van de mistlaag (e-macht)
- de verschillen in druppelvolume
- de leeftijd van de mistlaag
De variatie in grote lokale verschillen kunnen voortkomen uit:
- variaties in vrieskernen (mogelijk ook vriekernen uit exploderende bevriezende mistdruppels?)
- variaties in levensduur van de mistlaag
- plaatselijke verschillen in temperatuur van de mistlaag
- plaatselijke verschillen in (onderkoeld) vloeibaar waterinhoud
In deze situatie lijken ook een rol te spelen:
- de afplatting van de laag onder de subsidentieinversie door een dalende inversie onder 200 meter, hetgeen kan leiden tot vergroting van (onderkoeld) vloeibaar water en waterdamp per volume-eenheid.
- versterking van waterdampinhoud en vrieskernen aan de lijzijde van bebouwing en industrie door uitstoot van verbrandingsprocessen met vrieskernen of condensatiekernen, waterdampbronnen en warmtebronnen
- bevordering van de onstabiliteit aan de top van de mistlaag door lichte afkoeling bij nachtelijke uitstraling naar een erg droge laag erboven
- bevordering van de onstabiliteit nabij het aardoppervlak door een hogere bodemwarmtestroom en grondtemperatuur t.o.v. de luchtemperatuur op 2 meter
- en mogelijk extra onstabiliteit door warmteuitstoot (boven en aan de lijzijde) van bebouwing en industrie
- orografische lift (bij Nijmegen en in Limburg?)
Quote selectie