Bij een grootschalig archeologisch onderzoek op het terrein De Nielt in het Noord-Brabantse Cuijk zijn de voorbije maanden twee muntschatten aan het licht gekomen. De eerste betreft een buideltje van zes Vlaamse braspenningen van de Bourgondische hertog Jan Zonder Vrees (1404-1419). De tweede schatvondst bevindt zich in een slanke aardewerken beker uit de derde eeuw: uit röntgenfoto's blijkt dat er wellicht een 250-tal Romeinse munten in begraven liggen.
De bijzonderheid van de vondst ligt echter niet in het aantal munten of het gewicht in edelmetaal, maar in de mogelijkheid die deze opgraving biedt om de volledige context rond de vondst wetenschappelijk te onderzoeken.
Eén belangrijke aanwijzing werd reeds aangetroffen, toen bij het uitnemen van het spoor de restanten van een blikseminslag gevolgd konden worden ( zie foto). De bliksem is op deze exacte locatie diep in de grond ingeslagen en heeft door de extreme hitte het zand doen smelten tot een hol buisje van glas, met daaromheen halfgesmolten zandkorrels in grillige patronen. Toeval of niet? Was deze plaats herkenbaar door de herinnering van een blikseminslag? Is de schat begraven als offer aan de god Jupiter, die de bliksem deed inslaan op deze plek? Gaat het om de spaarcenten van één individu of om een offergave van een ganse gemeenschap? Moest men op de vlucht voor invallende Germaanse stammen?
Teruggevonden fulguriet in de context van de muntschat:
Quote selectie