Hier volgt mijn analyse voor de winterverwachting 2006/2007.
Mijn eerste vermoeden is dat we op een zachte tot zeer zachte winter afstevenen.
Dit is gebaseerd op de ligging van de warmere en koudere oppervlakte wateren van de oceanen en het gedrag van de stratosferische poolwervel.
Oceaantemperaturen
De Atlantische oceaan
Eerst kijken we naar de SST-anomalieën (afwijking t.o.v. gemiddelde oppervlakte temperaturen) van de Atlantische oceaan. Het gehele noordelijke deel van deze oceaan is te warm, met de hoogste afwijking voor de kust van ZW-Europa en NW-Afrika, en bij New Foundland en de overgang van de Labradorzee in de Atlantische oceaan. Ten westen van de Azoren komen gebieden met relatief lagere temperaturen voor.
De afwijking in de SST’s zorgen voor afwijkende temperaturen en luchtdrukpatronen in de bovenliggende atmosfeer. Bij deze verdeling onstaat een stromingspatroon in de hoge luchtlagen die karakteristiek is voor een lage NAO-index. Lucht, die vanaf de VS de Atlantische oceaan opstroomt richting de Azoren warmt iets minder snel op. De drukvlakken in de hoogte blijven lager en rond de Azoren is dan vaker een trog te verwachten. Aan de grond warmt de lucht voor de Portugese kust echter sterk op met flinke drukdalingen in de onderste niveaus tot gevolg, mede door toedoen van de hoogte-trog. Boven ZW-Europa slingert de straalstroom noordwaarst, met in de zuidoostflank de ontwikkeling van een hogedrukgebied boven de Balkan. Tussen bovengenoemde druksystemen waaien zuidelijke winden die warme lucht vanuit Noord-Afrika aanvoeren. Dat deze warmte ook tot Nederland wist door te dringen hebben we de afgelopen herfst aan den lijve ondervonden.
Ten zuiden van Groenland wordt de lucht sterk verwarmd. Dit leidt in eerste instantie tot daling van de gronddruk, maar doordat de warme lucht de tropopauze optilt onstaat er gemakkelijk een hoogte-rug over de Atlantische oceaan richting IJsland. Aan de oostflank hiervan voeren noordenwinden poollucht naar het Noordzeegebied, alwaar boven het warme water storingen onstaan met regen en sneeuw. Over Skandinavië zijn lagedrukgebieden te verwachten.
De Benelux ligt in op het grensgebied van beide luchtsoorten.
Dit geeft wisselvallig weer, waarbij we de ene keer in zachte lucht en dan weer in koelere lucht zitten, met grote sneeuwkansen. Een echte kwakkelwinter dus.
In het verleden voldeden de novembers van 1987, 1995, 1997, 2002 en 2005 aan dit SST-patroon. In het najaar van 1997 was dit patroon nog veel sterker en ging bovendien samen met een krachtige El Nino. Verder kan november 1985 nog worden genoemd omdat er toen ook overeenkomsten was met de SST’s van de Stille Oceaan. Maar de gelijkenissen zijn niet zo sterk. Wat betreft het weerbeeld leek alleen vorig najaar goed met datgeen we hebben gehad. Verder was oktober 1995 ook warm.
(Invalid img)
Interactie tussen SST-anomaliëen van de noordelijke Atlantische oceaan op de drukverdeling. Deze kaart toont afwijkingen die kenmerkend zijn voor een lage NAO-index
De Stille Oceaan
Midden boven het noordelijk deel van de Grote Oceaan zien we een gebied met warmer water. Dit gebied heeft een brede uitloper naar het noordwesten. De golf van Alaska is duidelijk te koud. Ook zuidelijker, tot aan Californië, is het water de laatste weken fors afgekoeld. De afgelopen weken zagen we een sterk hogedrukgebied boven de Aleoeten en een hardnekkig lagedrukgebied ten zuiden van Alaska tot over West-Canada. Aan de zuidoostflank van dit laag voerden zuidwestelijke winden warme lucht richting het Lake District (oostelijk Noord-Amerika). Boven het noordwesten van Canada hield zich een sterk koude reservoir op.
Trekken we de hoogtestroming door tot over de Atlantische oceaan richting Europa dan liggen we onder de tweede golf, met lagedruk bij IJsland. Dit is in tweestrijd met het Atlantisch geënte stromingspatroon boven het noorden. Op lage breedten lopen ze wel redelijk samen.
Vergelijken we de SST-profielen met voorgaande jaren dan komen we 1988, 1994, 1998, 1999, 2001 en 2005 tegen. Op het eerste gezicht zijn deze novembermaanden niet goed vergelijkbaar met het huidige weertype. Er zitten een paar bij met licht winterse toestanden, zoals in 1998, 1999 en 2001. Opmerkelijk is dat november 2005 in beide oceanen overeenkomsten laat zien waaruit we kunnen concluderen dat de SST-anomaliëen in een jaar tijd niet sterk zijn veranderd. Verder is het opvallend dat in dit lijstje van de Grote Oceaan een paar extreem warme herfstmaanden zitten, te weten oktober 2001 en november 1994. In het laatste jaar was er evenals nu ook sprake van een El Nino (warm water voor de kust van Peru).
(Invalid img)
SST-Anomaliëen van de noordelijke Stille Oceaan met mogelijke uitwerking op de straalstroom. Duidelijk te koud water in het noordoosten en verder is El Nino mooi te zien,
We beleven nu de aller warmste herfst uit de meethistorie maar het vorige record dateert niet toevallig van vorig jaar. Bepaalde type extremen in eenzelfde fase van het jaar komen vaker paarsgewijs voor. In bovengeschreven betoog ligt één van de oorzaken verborgen. Tot nog toe beschreef ik de aktuele stand van de SST anomaliëen. Het bijbehorende stromingspatroon beschrijft goed de situatie die we in de achterliggende weken hebben gezien. In oktober een lage NAO-index en de laatste weken depressies op de oceaan richting IJsland, maar geen Azoren-hoog. Het hogedrukgebied ligt verankert ten oosten van ons. In de winter verschuiven de rosby-golven vaak nog iets verder naar het oosten. Dit heeft voor ons vooral gevolgen van de stroming die vanuit het Pacifische gebied wordt gegenereerd. In de aktuele modelprognoses zijn al aanwijzingen dat de drukverdeling in die streken gaat veranderen. Bij ons levert dat koelere NW-winden op. Tot slotte is het nog maar de vraag tot hoeverre de SST-anomaliëen door de winter blijven zoals ze nu zijn. Hier moet nog even goed naar gekeken worden en ik hoop zo snel mogelijk daarop terug te kunnen komen
De stratosfeer
Hoog in de atmosfeer boven het noordpoolgebied koelt de lucht ieder najaar sterk af. Dit komt doordat de ozonlaag in de stratosfeer geen UV-licht meer absorbeerd omdat de zon onder de horizon is verdwenen. De oostenwinden, opgewekt door de dagelijkse gang van de zonnestraling, verdwijnen naar het zuiden. Daarvoor in de plaats steken krachtige westenwinden op, de poolnachtwervel. In een aantal winters komen echter krachtige warmte-impulsen voor in de polaire stratosfeer. De poolwervel zwakt dan van bovenuit af. Onder invloed van uitstraling in het infrarood koelt de stratosfeer in de weken daarna weer af. Dit veroorzaakt drukstijgingen over de hele diepte van de onderliggende troposfeer. In het poolgebied verschijnen dan op bijvoorbeeld 500 hPa hogedrukgebieden terwijl de lagedrukgebieden dan als afgesnoerde koudeputten blijven ronddolen. Op gematigde breedte gaan de straalstromen slingeren en kunnen er gemakkelijker blokkades onstaan. Komen de druksystemen goed te liggen dan is hier een koudegolf te verwachten. In o.a. de winters van 1985, 1987 en 1997 kwam dat voor maar garantie op een strenge vorstperiode geeft dat niet. Vorige winter was een mooi voorbeeld van hoe het ook kan, en ook de winters van 1998, 2002 en 2004 bijvoorbeeld gaven stratosferische warmte-impulsen te zien maar zonder dat het hier noemenswaardig winterweer werd.
Maar hoe zit het met de stratosfeer voor de komende winter? Momenteel zien we een sterke afkoeling en een aanspannende poolwervel maar dat zegt nog niets over wat er in januari gaat gebeuren. Een abrupte verstoring van de poolwervel komt vermoedelijk doordat de westenwinden in aanvaring komen met de oostenwinden, die niet ver genoeg naar het zuiden zijn vertrokken. Het ene jaar zijn die op lage breedte sterker dan het andere jaar (QBO) . Vorige winter was zo’n seizoen waarbij die oosten winden een flinke stok in de spaken stak van de poolnachtwervel. Aankomende winter hebben we de westfase van QBO. Dit heeft, zeker tijdens een zonnevlekkenminimum, zelden tot significante opwarming geleid in de afgelopen 25 jaar. Ik verwacht dan ook een normale tot sterkere poolnachtwervel voor aanstaande winter. Uit onderzoeken is gebleken dat de QBO-oostfases die samenvielen met een zonnevlekkenminimum wel tot een breakdown leidden van de poolnachtwervel, vaak met hogedrukopbouw aan de Russische zijde van de pool. 1985, 1987 en 1997 waren strenge winters die zich voordeden onder deze voorwaarden. De winter 2005/2006 is op dit vlak mislukt. Voor de winter van 2008 nieuwe kansen dus (voor zover we nog in een minimum zitten).
(Invalid img)
Temperatuur anomalie van de polaire atmosfeer (60-90° N.B.). In de middelbare stratosfeer een bovennormale afkoeling met afwijkingen tot -7 graden. Let ook eens op de enorme opwarming aan het begin van het jaar in januari.
(Invalid img)
Afwijkingen van de gemiddelde zonaliteit in de polaire stratosfeer (50-80° N.B.). Positief betekent sterkere westenwinden en negatief zwakkere westenwinden. In oktober is een onderbreking te zien van de opbouw van de poolwervel. Momenteel spant de wervel aan maar in de troposfeer is de AO-index nog iets negatief.
Conclusie.
Voorlopig kunnen we voorzichtig de verwachting opmaken dat we aan de vooravond van een (zeer) zachte winter staan. Belangrijkste redenen zijn de SST-anomaliën van de Stille Oceaan en de sterke stratosferische aandrijving van de westenwinden in de troposfeer. Zuidwestelijke winden overheersen waarbij ook de nodige regen valt en de winter natter wordt dan normaal . De NAO-index schat ik met, twee tegen één, hoger in dan normaal (+1). Alleen de Atlantische oceaan kan de temperatuur naar beneden drukken en ons een ‘vuiler’ wintertype geven. In het verleden kwamen er ook een paar droge, koude winters voor met het huidige Atlantische SST-profiel, zoals 1996 en 2006. Daarentegen moeten we ons wel realiseren dat ons omringende water ook nog veel te warm is, waardoor de kou voorlopig moeilijk voet aan de grond krijgt.
Een punt van twijfel is het feit dat die Z tot ZW-lijke stromingen al zo lang aanhouden. Eens zou het toch moeten veranderen zou je zeggen. Is het ‘normaal’ dat zo’n eindeloze lange, warme herfst naadloos overgaat in een zachte winter, waarbij de 'herfst' dan pas op gang komt? Voorbeelden uit het verleden gaven toch vaak een kentering, zoals de veelbesproken opvolger van herfst 1984, evenals in 1986. Verder kreeg ook het najaar van 2000 en vorig najaar een winterser vervolg. Maar er zijn zeker wel zachte winters die volgden op een warme herfst, zoals 1989/1990, 1982/1989 en 1994/1995. De herfst van 1989 komt nu, met 11,2 °C, op de 10e plek uit, en de herfst 1982 op 6e, met 11,6 °C, in de ranglijst van warmste herfsten te De Bilt.
Toch zal er (tijdelijk) een ander regime komen en ik denk dat we daar niet zo lang op hoeven te wachten. De straalstromen lopen natuurlijk niet altijd mooi in de pas met de onderliggende watertemperaturen. Momenteel worden aan de andere kant van het noordelijk halfrond pogingen ondernomen om de Alaska-trog te verdrijven, tot nog toe zonder resultaat. Het gevolg hier zal zijn dat we dan in een meer noordwestelijk aanvoer komen te zitten meer normalere temperaturen en wellicht enkele winterse buien.
Victor de Vries
Quote selectie