De wereldwijd gemiddelde temperatuur is met ca 0,7 graden gestegen. In de Bilt is het, volgens de trendlijn tegenwoordig al bijna anderhalf graad warmer dan 'vroeger'. De opwarming is hier dus bijna twee keer zo snel. Hoe zou dat toch komen?
Hieronder noem ik enkele mogelijke verklaringen hiervoor. De ene is meer hypothetisch de ander sterker op onderzoek gebaseerd.
- Onze brongebieden zijn opgewarmd.
Onderzoekers van het KNMI kwamen enkele jaren geleden al tot de ontdekking dat onze omringende gebieden zijn opgewarmd. Dit past mooi in het beeld van global warming waarin de mens, via uitstoot van broeikasgassen, een belangrijke bijdrage heeft geleverd.
- Wat is de directe invloed van grotere hoeveelheden broeikasgassen op de temperatuur van West-Europa?
CO2, CH4, O3 en N2O stralen een deel van, de door de aarde uitgezonden warmtestraling, weer terug. Echter, de belangrijkste broeikasgassen zijn gelijkmatig over de aarde verdeeld waardoor er boven Nederland geen significante afwijkingen voorkomen t.o.v. van het mondiaal gemiddelde. Het versterkte broeikaseffect van deze gassen is niet altijd en overal hetzelfde. In een vochtige atmosfeer houden waterdamp en wolken het grootste deel van de warmte vast en hebben CH4, maar vooral CO2, nog maar weinig in de melk te brokkelen. Verder straalt een koude atmosfeer sowieso weinig warmte terug naar aarde. In een heldere, droge en warme atmosfeer is het verwarmende effect door de toename van CH4 en CO2 het grootst. Die situatie komt voor in hogedrukgebieden. Mijn voorlopige schattingen (n.a.v. van een atmosferische stralingsmodel) komen uit op een stralingsforcering van wel 8 tot 10 W/m2 (vgl. 2-3 W/m2 mondiaal). Volgens de algehele opinie op weerwoord hebben hogedrukgebieden het steeds vaker voor het zeggen maar ik heb nog geen meetreeksen onder ogen gehad die dat bevestigen. Dikwijls drijven westelijke winden dikke wolkenpakketten over de Benelux waarbij het toegenomen broeikaseffect geen enkele rol speelt. Ik laat deze vraag dan ook onbeantwoord.
-
Verstedelijking
Steeds grotere oppervlakken van Nederland en België worden met asfalt en bebouwing bedekt waarop steeds grotere hoeveelheden energie worden verbruikt. Dit heeft velerlei effecten waarbij de meesten voor een opwarming zorgen.
Op de eerste plaats is er de directe opwarming door verkeer, industrie en de verwarming van gebouwen. In steden kan dit een extra warmteflux opleveren van wel 25 W/m2 in de winter. Bij een winderige en onstabiele atmosfeer zal die warmte snel verwaaien maar bij een stille winternacht onder een scherpe grondinversie ligt de temperatuur in en vlak achter de stad enkele graden hoger.
Ten tweede warmen asfalt, steen en beton sneller op in de zon. De reden hiervoor ligt aan het feit dat er veel minder energie nodig is voor het verdampen van water. De regen wordt via de riolering snel afgevoerd naar open water, waarvan het verdampingsoppervlak lager ligt. Na een regendag blijft een natuurgebied lang koeler doordat eerst de vochtige grond moet worden opgedroogd terwijl de straten in stad binnen enkele uren al droog zijn. Dit effect is het sterkst in de zomer.
Nu zijn temperatuurmetingen in de stad niet representatief voor meteorologische en klimatologische doeleinden. Maar de verwarmde lucht waait ook naar de omringende plattelandsgebieden waar ook mogelijke neveneffecten een rol kunnen spelen. De warmte van de stad veroorzaakt stijgende luchtstromen die de ontwikkeling van stapelwolken bevordert. Als compensatie gaat rondom de stad de lucht zachtjes dalen waardoor de wolken hier oplossen. De zon schijnt vaker en drijft de middagtemperaturen, voornamelijk in de lente en zomer, omhoog. Verder verstoort de bebouwing en verwarming van de stad de opbouw van nachtelijke inversies bij zwakke tot matige (3 bft) wind. Dit leidt tot hogere temperaturen op 1,5 m en lagere op pakweg 100 m hoogte.
De Bilt is door zijn ligging NO van Utrecht en de rest van de Randstad gevoelig voor het stadsklimaat. Gelukkig kunnen de meetreeksen van De Bilt ook worden vergeleken met meetreeksen van Vlissingen, Den Helder en Eelde. Het stadseffect De Bilt minus gegevens plattelands stations bedraagt ruwweg niet meer dan 0,2°C
-
Verandering 'warme golfstroom'
Over de warme golfstroom wordt ook vaak gespeculeerd. We hebben het hier over de thermo-haliene circulatie (THC) want de 'echte' warme golfstroom loopt langs de oostkust van de VS en vormd slechts een onderdeel van het systeem.
Dit is een wereldwijde circulatie die gedreven wordt door het gewicht van zoutwater. Hiermee worden grote hoeveelheden warm water over de Atlantische oceaan naar het hoge noorden tussen IJsland en Noorwegen gebracht. Dit heeft een verwarmend effect op het klimaat in West- en Noord-Europa. Over de mate waarop bestaat nog onduidelijkheid. Regelmatig gaan er geruchten rond dat de THC verzwakt zodat onze streken af zullen koelen. Nooit hoor je dat de THC sterker kan worden waardoor het hier opwarmt. Uit analysekaarten van afwijkingen van de oppervlakte temperatuur (SST-anomalieën) valt meteen op dat de gehele Atlantische oceaan, maar speciaal het noorden, al jaren veel te warm is.
De beoordeling hiervan heeft echter een groot bezwaar. De klimatologische norm (1971-2000) waarmee wordt vergeleken bevat een lange periode met lagere zeewatertemperaturen. Hierdoor onstaat een vertekend beeld. Bovendien mogen aan de hand van SST's niet zomaar conclusies worden verbonden over de THC.
-
Verandering van drukverdeling en stromingspatronen.
Het wordt steeds meer duidelijk dat de weerkaarten gemiddeld genomen veranderen. Hierbij worden hogedrukgebieden boven ZW-Europa steeds dominanter en depressies in die regio steeds zeldzamer. O.i.v hiervan waaien er hier vaker ZW-en winden waardoor het vooral 's winters zachter is geworden. De brandende vraag is in hoeverre dit door mondiale opwarming komt of puur een natuurlijke fluctuatie is.
Voor het eerste is wel iets te zeggen. Aangezien de opwarming op het noordelijke halfrond sterker is dat op het zuidelijke raken de temperatuurverhoudingen tussen noord en zuid asymmetrisch. Hierdoor zouden de klimaatszones op moeten schuiven naar het noorden. Boven de ITCZ (een lagedrukgordel gevuld met zware regens rond de tropen) stroomt de lucht weg naar beide halfronden om boven de subtropen (rond 30e breedtegraad) af te dalen. Hier liggen dan gordels met hogedruk, waarvan het Azorenhoog ook onderdeel uitmaakt. Schuift het zaakje op dan komt die hogedrukgordel ook dichter bij de Benelux te liggen met warmer weer tot gevolg. De steeds hetere en drogere zomers in Zuid-Europa wijzen ook in die richting terwijl de zuidelijke Sahara steeds natter wordt. Wij komen dan vaker aan de warme kant van het polaire front te liggen. Of dit alleen ter hoogte van Europa voorkomt of ook wereldwijd moet nog worden bekeken.
Maar de verklaring kan ook net zo goed liggen in de ligging van de planetaire golven in de straalstromen. Oppervlakte temperaturen stroomopwaarts boven de Atlantische oceaan en Noord-Amerika hebben een sturende werking op de verdeling van hoge- en lagedrukgebieden. Zo verschijnt er na een hoogte-rug boven de VS, later ook een hogedrukgebied boven Zuid-Europa.
Zelfs SST-anomaliëen in het Pacifische gebied rond Hawai en Peru (El Nino) kunnen in bepaalde seizoenen een bepaalde drukverdeling boven Europa bewerkstelligen.
De meer recentere klimaatprognoses komen wel tot de conclusie dat de klimaatszones opschuiven.
Eén van de eerste klimaatsprognoses (1994) voorspelden voor West-Europa juist een koeler klimaat door overheersing van noordwestenwinden.
In de loop van de jaren '90 kwam het KNMI met berekeningen van de invloed van de afkoelende stratosfeer op ons klimaat. De conclusie was dat door sterkere westenwinden de Noord-Europese winters zachter zouden worden. Destijds was er al een trend van afkoelende arctische stratosfeer en een stijgende NAO-index die deze conclusie leek te sterken. Sinds een jaar of 10 ligt de NAO-index alweer een stuk lager en zijn de stratosferische winters vaak warmer. Dus die conclusie was te voorbarig. Toch waren de winters niet koud wat volgens mij komt door het ontbreken van lagedrukgebieden boven het westelijke Middellandse zeegebied.
-
Zonnig
Het blijkt dat ons klimaat niet alleen warmer maar ook zonniger is geworden. Voor een deel komt het door een andere meetmethode.
Wanneer het zonniger is worden het voorjaar en de zomer warmer. Ook in de Noordzee wordt meer energie opgeslagen die dan ook nog voor een warmere herfst kan zorgen. Maar ook de winters blijken zonniger te worden wat betekent dat het vaker helder is. Bij helder weer koelt het in de lange nachten juist sterker af. Het zonnigere weer zou te maken hebben met de afname van fijnstof en roet in de atmosfeer. De westerse industrie heeft maatregelen moeten treffen waardoor de luchtvervuiling is afgenomen. Hierdoor zie je bijvoorbeeld op een zomeravond op het strand van Terschelling de zon veel vaker in de zee 'verdwijnen' terwijl die in de jaren '70 en '80 al een half uur voor zonsondergang blozend uitdoofde in een bruingrijze waas aan de horizon. De nachtelijke afkoeling was dan onderhand al ingezet.
Zo zie je maar dat er veel factoren zijn die aan de opwarming in Nederland en België bijdragen. Hierbij is er nog veel onzekerheid maar is de helft wel toe te schrijven aan 'global warming'. Maar bij andere factoren kan het versterkte broeikaseffect ook een indirecte rol spelen die echter niet meteen duidelijk is.
Verder is het ook niet verstandig om deze trend door te trekken naar de toekomst. Door verandering van de geografische verdeling van de opwarming zou het hier zelfs kouder kunnen worden. Momenteel is de opwarming hier bijna twee keer zo sterk als het mondiaal gemiddelde. Wanneer het in de loop van de komende eeuw wereldwijd bijvoorbeeld 3 graden warmer is geworden, kan het hier bijvoorbeeld 2 graden warmer zijn geworden dan voor de industriële revolutie. Dit komt neer op 0,5 graad stijging t.o.v. van het huidige gemiddelde.
Victor
Quote selectie