Uit de Winschoter Courant van maandag 18 november 1963……
Die strenge winter van ’63 zeshonderd jaar geleden
Na koud najaar met sneeuwbuien
(door J.F. den Tonkelaar)
U moet niet huiveren wanneer u leest: Doen was ’t so couwen winter dat de wijn ende ’t brood vervroos op de tafels ende in de kelders ende in de steenputten.
Lanck, stranck vorst, diesen tijd, coude, snee, deden den menschen verdrijven wee.
So wast eenen swaren couden winter, het vroos biden vijf maanden lanc, waeyende
sneeuwende en stormde van der maent van december tot den 13 april.
Op Sinter Anthonys avont doen viel den groeten snee dat men dies ghelyc nye en sach. Den couden Maendach was den 23e dach in lauwe, dat men ’t nyet vele so caut te voren gheweten hadde.
De vorst was so groet dat de lieden storven van coude achter lande.
Zo beschreef men een strenge winter vijf eeuwen geleden.
Maar geloof niet, dat toen alle winters streng waren want dezelfde kronieken vermelden uit die tijd ook:
“In den selven jaer due waest, also weyck weynter inde sonder snee inde vorst, dat
men schoen blodende fiolen sach inde vant onser vrouwe Lichtmisse.
In dit jaer was ’t soeten winterse dat de beesten niet vele ofte niet op ’t stal stonden.
Inde het en hadde nyt gevroeren, noch kalt geweyst, ser warm sonder eynige vorst
of coude.”
Al vanaf september
In grillige opeenvolging zijn de kronieken stille getuigen van het wel en wee in de winters van vele eeuwen geleden. Een oude Engelse kroniek vermeldt, dat precies
600 jaar geleden de winter daar wel uitzonderlijk vroeg zijn intrede deed.
Want, zo verhaalt de geschiedschrijver, in 1363 begon het in Engeland reeds half
september te vriezen, en begon een lange, uitzichtloze winter die tot in april voort-
duurde, een winter van een half jaar dus…..
Nu moet u dergelijke boude uitspraken natuurlijk wel met enige terughoudenheid
beoordelen. Goed, het mag dan tegen eind september in de nacht wel eens zo
koud worden dat aan het aardoppervlak de temperatuur zakt tot onder het vriespunt
daalt – in de weerkunde spreekt men dan van nachtvorst, hoewel op een waar-
nemingshoogte van 2 meter het kwik nog niet onder nul komt – overdag komt het
kwik dan meestal weer rijkelijk omhoog.
We mogen dan ook veronderstellen dat de schrijver bedoeld heeft te zeggen dat het een koud najaar is geweest, waarbij vanaf midden september herhaaldelijk nacht-
vorst en later in oktober en november ook echte vorst, mogelijk ook al sneeuwbuien,
het weer een winters aanzien hebben verleend.
Vooral bij een toestand met een hardnekkig lagedrukgebied boven de Noordzee of het zuiden van Scandinavië kunnen winden tussen noordwest en noordoost de Britse
eilanden onafgebroken onderdompelen in aangevoerde koude lucht uit de pool-
streken, die onderweg evenwel boven het nog warme zeewater zoveel warmte op-
neemt dat haar de ijskoude adem is afgesneden als zij bezwangerd met machtige
buiencomplexen uiteindelijk Engeland bereikt.
Maar het weer krijgt er een guur karakter door en tijdens heldere nachten zakt het kwik gemakkelijk tot onder nul.
Bezien we nu de diverse kronieken uit 1363, waarin aantekeningen over de winter zijn opgenomen, dan blijkt dat de “echte” winter pas inviel in begin december.
Rijkelijk vroeg dus.
De strenge vorst die met een snijdende oostenwind gepaard ging, en een groot deel
van Europa onder de sneeuw deed schuilgaan, kreeg op 6 december 1363 het
West-Europese vasteland in zijn greep, en op 7 december was ook Engeland door
een koudegolf overspoeld.
Een zeer lange strenge winter was begonnen.
Vrijwel zonder onderbreking heeft de koudegolf zich 14 weken, dat is ruim 3 maanden gehandhaafd.
Tot 19 maart omstreeks zuchtte West- en midden Europa onder de ban van sneeuw
en ijs. Al spoedig bevroor de Rijn, en wel met zulk dik ijs, dat 3 maanden achtereen
beladen karren en wagen er over heen trokken.
Zelfs het meer van Zürich lag aan de stad zo vast, dat men met zware lasten over het
ijs ging. In midden Frankrijk waar de aarde 3 maanden met sneeuw bedekt bleef,
teisterde de winter de boomgaarden.
In grote getale vroren de fruitbomen kapot……
Het was een ongemeen lange en strenge winter.
Ook na de 29ste maart bleef het nog koud, want pas half april werd het weer minder
winters. Ook hierbij zal de tot aan het vriespunt afgekoelde Noordzee wel een be-
langrijke rol gespeeld hebben.
Veel diepere invloed
Snuffelt men in oude kronieken van dergelijke grote winters, dan vindt men daarin steeds dezelfde beschrijvingen om de strengheid van de winter te karakteriseren.
En wat blijkt dan –dat bij benadering winters, zoals wij die kennen van 1940, 1942,
1947 en 1963 van hetzelfde kaliber waren als die winters uit het grijze verleden.
Wij mogen echter niet vergeten, dat in vroeger jaren een winter, zoals die achter ons
ligt, veel dieper ingreep in de menselijke samenleving dan tegenwoordig.
Het transport, veel te water en gebrekkiger dan nu, werd vrijwel lamgelegd, schaarste
aan levensmiddelen veroorzaakten hongersnood.
Grote droogte in 1504 in Hongarije leidde in de winter van 1505 daar tot een dus-
danige hongersnood dat vele ouders hun kinderen opaten.
Volgens de kroniek van Wenger werden deze ouders daarvoor niet gestraft…….
De veel slechtere huisvesting, het gebrek aan brandstof en verlichting de schrijnende
werkloosheid, veroorzaakten bittere ellende en een lange strenge winter was een gesel, zoals wij ons die, met onze moderne hulpmiddelen niet meer kunnen voors-
stellen. Enkele van deze strenge winters uit vroeger eeuwen willen wij hierbij even aan de vergetelheid ontrukken.
De eerste grote winter, die op die van 1363/’64 volgde was die van 1407/’08 of, zoals
gewoonlijk wordt gezegd, de winter van 1408.
Men beschrijft hem als de ergste winter sedert vijf eeuwen.
Reeds zeer vroeg, 11 november, en daardoor extra wreed, viel de vorst in.
Tot eind januari, dus 2,5 maand vroor het vrijwel onafgebroken.
Na 14 dagen dooi keerde de vorst op 15 februari terug om zijn domein pas op 7 april
aan de lente prijs te geven.
De Maas bleef twee maanden lang dichtgevroren, en de Luikenaars, van het beleg van Maastricht terugkerende, trokken met hun wagens over het ijs.
Tussen Denemarken en Noorwegen was de Noordzee zelfs dichtgevroren.
De wolven liepen van het ene Koninkrijk in het andere…..
Ook de Oostzee lag dicht tussen Gotland en Oeland, hetgeen o.a ook in 1963 het
geval was. Niet alleen in Engeland, maar ook elders in geheel Westeuropa stierven
duizenden vogels van kommer en ellende.
Over de Zuiderzee
Zevenentwintig jaar later, in 1435, zwaaide de winter opnieuw zijn ijselijke scepter.
“Doen wast eynen der groetsten coalsten wijnter den ye mensche leven mochte oft
geleefd had. Doen vrevrozen alle wateren te gronde.”
Het was opnieuw een zeer lange winter.
Vroor het van begin december tot 22 maart, in Nederland duurde de koude voort tot
half mei. De rivieren lagen 10 weken, 2.5 maand, dus geheel vast en ook de Zuider-
zee, toen weliswaar kleiner van omvang dan ten tijde van de bouw van de Afsluitdijk,
lag zo vast dat ene zekere Pieter Haringh, een Hoorns burger, 4 of 5 dagen voor
M. Ligtmisse, een drift van 12 ossen van Stavoren over het ijs naar Enkhuizen voerde.
Er viel ongemeen veel sneeuw in grote delen van Europa.
In Engeland was het zo koud, dat de Theems reeds op 24 november bevroor, en vast bleef liggen tot 10 februari.
Zwaar beladen wagens reden tot over het ijs tot aan Gravesand. De schepen met
koopwaar die in de Theemsmonding kwamen, konden niet stroomopwaarts varen,
zodat de lading gelost moest worden en over land naar Londen werd vervoerd.
Zelfs in Schotland heerste hevige koude, zo zeer zelfs dat bier en wijn er per pond
gewicht werden verkocht om voor het gebruik bij het vuur te worden gesmolten…..
Nog geen zeven jaar later, in ’t najaar anno 1442, “beghost eenen couwen winter,
dat vele boomen en vruchten vervrosen.” Ook in midden Europa bracht de winter
barre nood, het is wel grimmig wanneer boeren het strodaken van hun huizen haal-
den om aan het vee te voeren.
Anderen die in arren moede hun vee de wouden indreven waar het zich voedsel moest zoeken, ervoeren dat hun vee de wolven tot voedsel werd…..
U ziet de winter van 1363 – 1364, die de aanleiding vormde tot dit verhaal, staat niet
op zichzelf. Zij mag dan om historische redenen onze aandacht vragen, de geschie-
denis werd ook in vele andere winters met verkleumde vingers en hongerige magen
geschreven. Laten we blij zijn, dat wanneer zich opnieuw een grimmige koudegolf over ons mocht uitstorten, wij de warmwaterkraan kunnen opendraaien, wanneer wij
ons willen wassen.
U vanuit uw verwarmde slaapkamer in de behaaglijke warmte van uw huiskamer stapt, om via een verwarmde auto, bus of trein, uw verwarmde werkplaats of kantoor
binnen te stappen om ’s avonds in de omgekeerde volgorde deze reis te herhalen.
Wanneer u dan niet, zoals ik, een hartstochtelijke schaatsenrijder bent zegt u later
misschien: “Die winter van 1963? Neen, daar kan ik mij niet zoveel van herinneren.
Was daar dan iets bijzonders mee aan de hand?”
Het is dan ook niet waarschijnlijk, dat men in 2562 iemand zal uitnodigen om in de
krant een stukje te schrijven naar aanleiding van het feit, dat we 600 jaar geleden
aan de vooravond stonden van die strenge winter van 1963……
(Over die winter, die van 1963 is een grote reportage in voorbereiding die later in
Weerwoord zal verschijnen).
Met dank aan het Streekhistorisch Centrum te Stadskanaal voor hun bereidwillige
medewerking.
Quote selectie