Opmerkelijk waren de vele hoosjes en waterhoosjes op vooral maandag en dinsdag.
Hoe kon dat?
Als eerste kwam dat door de ijskoude bovenlucht. Op 500hPa kwamen temperaturen voor van -24°C wat zeer laag is voor hartje zomer. Dit resulteerde in een zeer onstabiele atmosfeer.
Als tweede ingrediënt kan de zwakke stroming worden genoemd in de onderste kilometers. Deze zorgde ervoor dat de buien maar langzaam opschoven. In de buien daalde het kwik soms maar tot 12 graden terwijl 10 kilometer verderop uren lang de zon scheen waarbij het ruim 20 graden worden kon. Maar belangrijker is dat bij die zwakke wind hozen zich gemakkelijker kunnen vormen. Net als bij rookkringeltjes in het klein is het van belang dat de lucht in rust is. Turbulentie is funest voor hozen. Echter, grotere en zwaardere hozen (zoals bij een supercell) kunnen wel een stootje hebben.
Op grote hoogte moet het wel hard waaien en dat was o.a. op maandag het geval op hoogten tussen 5 en 8 km, wat aan de wegwijzende buientoppen goed was te zien. Deze wind zorgt voor extra trek in de 'schoorsteen'.
Tot slot kan de droge lucht nog als oorzaak voor hozen fungeren. Op zondag was al te zien dat de lucht zeer helder en droog was. Deze lucht kwam maandag boven Nederland tot rust en landinwaarts liepen de dauwpunten terug tot 8 graden, wat nogal laag is voor juli. Bij droge lucht onstaat er in de middag, door aanwarming, een steil temperatuurprofiel in de onderste 1,5 km omdat de warmte droog adiabitisch opstijgt (1°C/100m).
Vanuit de natte bodem en vanaf wateroppervlakten werd er in korte tijd grote hoeveelheden vocht toegevoegd. Deze vochtige luchtbellen stijgen op maar bereiken al op tamelijk geringe hoogte het condensatiepunt. Vanaf daar koelen de luchtbellen nat-adiabtisch af (0,5°C/100m), terwijl de omgeving in eerste instantie nog droog adiabatisch afkoelt. Hierdoor onstaat al snel een groot temperatuurverschil tussen de vochtige bel en haar omgeving zodat de stijging versneld. Bij geringe rotatie onstaat er dan gemakkelijk een tuba of hoosje. Deze bellen zijn herkenbaar aan uitzakkingen onder de buienbasis in de vorm van fracto-cumulus.
Waarom werd het niet gezien door bijvoorbeeld ESTOFEX?
Ik denk dat teveel naar de shear wordt gekeken zoals een model als GFS die voorschotelt. Deze is wel essentiëel voor rotatie maar bij grote onstabiliteit onstaat uit de circulatie rond buien vanzelf wel shear. Het viel me igg op dat de winden in verschillende lagen uit uiteenlopende richtingen waaiden. Worden die winden door vertikale bewegingen naar één niveau gebracht dan onstaat gemakkelijk rotatie. Bij smalle en slanke spouts is sterke rotatie minder belangrijk dan onstabiliteit en het feit dat de lucht in rust is.
Verder valt het mij op dat GFS de CAPE-waarden mogelijk wat onderschat in maritiem polaire lucht terwijl in sub-tropische luchtmassa's de CAPE vaak schromelijk wordt overschat. Bij maritiem polaire lucht onstaan door snelle verdamping en aanwarming vanaf het aardoppervlak gemakkelijk gebiedjes met meer CAPE. Deze gebieden vallen dan waarschijnlijk buiten de resolutie van het model. Verder waren de K-waarden laag maar dat kwam door de droge lucht op 850 hPa. De soaring(K)-index is als onstabiliteitsparameter minder goed bruikbaar bij polaire lucht.
(Invalid img)
Kleine tuba ten oosten van Heerenveen, maandag 18:30.
Victor
Quote selectie