Interessante uitleg, Alwin.
Het lijkt me ook wel een goede verklaring maar hoe het precies werkt zou ik zo niet weten.
Misschien dat ook het gebrek aan onstabiliteit in de grenslaag meespeelde, zeker w.b.t de ontwikkeling van een windhoos. Voor de buienlijn kwam met een noordwestenwindje onderin wat minder warme zeelucht binnen.
Verder was de windschering in de buienlijn zelf juist tegengesteld aan de helicity bij supercells: W onderin, Z op middelbare hoogte ,dus krimpend naar boven i.p.v. ruimend. Waarschijnlijk de druk van het koufront.
Victor
Hoi Victor,
Ik snap niet goed wat je bedoelt. Het laatste wat ik zie is een gebrek aan onstabiliteit in de grenslaag. Voor de De Bilt sounding zaten we zelfs op een T/Td van 25.6/21.1... daar hoort een theta-e bij van 344K, met LCLs beneden de 1000m. Waren er geïsoleerde supercells ontstaan, dan zou de tornadokans m.i. zeker aanwezig zijn geweest,
En vóór de buienlijn uit was de grondwind zuidoostelijk i.p.v. westelijk hè, zie het hodogram van 20u te De Bilt. (De sonde ging waarschijnlijk zo rond 19.15u, vóór de buienlijn uit dus, de lucht in en vertegenwoordigt heel mooi de inflowlaag)
De SREH is alleen van belang voor de inflowlaag t.o.v. de bui, want die lucht wordt de bui ingevoerd. In dit geval was de bui-relatieve inflow noord tot noordoost.
Wel valt op dat de kromming van het hodogram in de onderste 500m eerder negatief dan positief is (eerder 'hol' van 'bol' t.o.v. een rightmover).
Ik zou weleens een modelletje willen maken waarmee je de convectie zelf oplost met een voorgeschreven wind- en temperatuurprofiel van de omgeving... je zou dan de kans op een bepaalde convectieve mode kunnen bepalen door over meerdere runs willekeurige forceringen aan te brengen in je domein.
Ik vrees echter dat je voor bruikbare resultaten al een enorm ingewikkeld model nodig hebt...
Groet,
Alwin
Quote selectie