Dat het zo snel gaat verbaast menig wetenschapper. Het is gemakkelijk de suggestie te wekken dat de mondiale opwarming, als gevolg van het versterkte broeikaseffect, in een stroomversnelling is gekomen. Hoewel het indirect misschien een grote bijdrage levert is het directe broeikaseffect door CO2 relatief minder groot geworden in de regio. Althans zo lijkt het naar aanleiding van onderstaande figuren.
Gekeken is naar de uitgezonden infraroodstraling en temperaturen in het noordpoolgebied boven 75°NB. Daarbij wordt winter/ijsbedekkings periode november t/m april bekeken en de midzomerperiode mei t/m juli. De maanden augustus t/m oktober zijn buiten beschouwing gelaten om de effecten van vrijgekomen wateroppervlakten te beperken. Het afgelopen jaar is slechts deels meegenomen.
De bovenste figuur geeft de OLR (= uitgaande infrarood straling) aan in W/m2, gemeten door satellieten van NOAA. Extra broeikasgassen houden de warmtestraling van de aarde tegen dus zouden de satellieten in de loop der tijd steeds lagere OLR-waarden moeten meten. Tenzij de temperatuur stijgt. Tussen circa 1975 en 1995 is de OLR gelijk gebleven gedurende de winterperiode maar de temperaturen zijn in die periode geleidelijk gestegen. Hier is het directe broeikassignaal op de opwarming te zien. Daarna is de OLR echter enorm toegenomen met een piek in de winter van 2005/2006. Ook de temperatuur is veel sneller gestegen. De temperatuurstijging heeft het broeikaseffect ingehaald. Waar komt die extra opwarming ineens vandaan? Door het terugtrekken van zeeijs nabij Spitsbergen?
(Invalid img)
(Invalid img)
Figuur 1 en 2: OLR vs T nabij oppervlak van november t/m april voor de regio binnen 75°N.B.
Vervolgens nemen we de midzomerperioden onder de loep (mei t/m juli) wanneer de zon op z,n hoogst komt te staan en het zeeijs aantast. De OLR laat gemiddeld genomen een dalende trend zien tot ca 2000 en de temperatuur een licht stijgende trend. De extra uitstraling door de temperatuurstijging weegt niet op tegen het werende effect van hogere CO2-, CH4- en eventueel H2O-concentraties. Verder valt de sterke interjaarlijkse schommeling op in de OLR (infra-rood uitstraling) welke ook min of meer terug te vinden is in de temperatuur. Merk op dat niet alleen de uitstraling van het aardoppervlak maar ook de uitstraling van de atmosfeer, inclusief stratosfeer, meegenomen wordt in de OLR-metingen door satellieten. De laatste jaren is de temperatuur duidelijk sneller gestegen waarbij ook de OLR is toegenomen. Toch is de temperatuur nabij het aardoppervlak nauwelijks hoger dan rond 1950. Heeft het broeikaseffect zich deels opgespaard om nu haar energie vrij te geven of is de zonnestraling sterker geworden? Waarom smelt het ijs nu wel sterker en niet rond 1950 bij vergelijkbare oppervlakte temperaturen? Komt dat misschien omdat de aangroei in de winter structureel minder is geweest de laatste decennia?
Kortom:
In de winter is er in het poolgebied sinds een jaar of 10 een sterkere temperatuurstijging gemeten dan je op basis van het broeikaseffect zou verwachten. In de zomer is dat minder het geval en gaan stralingforcering en temperatuurstijging min of meer gelijk op over de afgelopen 30 jaar. Op basis van het albedo feedback effect zou je eerder andersom verwachten omdat het poolgebied 's winters geen zonnewarmte ontvangt, wat kan worden gereflecteerd. In ieder geval is dit interessante stof tot nadenken.
(Invalid img)
(Invalid img)
Victor
Kalnay, E. and Coauthors, 1996: The NCEP/NCAR Reanalysis 40-year Project. Bull. Amer. Meteor. Soc., 77, 437-471.
Liebmann, Brant, and Catherine A. Smith, 1996: Description of a Complete (Interpolated) Outgoing Longwave Radiation Dataset. Bulletin of the American Meteorological Society, 77, 1275-1277.
Quote selectie