De aanvoer is niet té sterk aanlandig, de bovenlucht is vrij koud, én er is depressie-invloed in de buurt (luchtdruk ruim beneden de 1010 hPa).
De regel is: hoe zwakker de aanlandige aanvoer (of hoe meer aflandig de aanvoer), hoe minder koud de bovenlucht hoeft te zijn voor sneeuw. De (licht)blauwe kleuren (500 hPa-vlak ligt lager dan 528 decameter ['dam', lager dan 5280 meter hoogte dus]) vallen hier samen met luchtdrukwaarden boven de 1000 hPa. Dat betekent dat de dikte van de luchtlaag tussen 1000 en 500 hPa sowieso kleiner is dan 528 dam.
Die 528 dam wordt vaak als grens genomen voor de mogelijkheid van natte sneeuw, hoewel de werkelijke grens bij een sterk aanlandige aanvoer lager ligt. Je moet dan al gauw op 520 dam of lager zitten. Bij een aflandige aanvoer én koude+droge plaklaag ligt de grens voor sneeuwval veel hoger, soms zelfs tot 552 dam of zo.
(Die 1000-500 hPa dikte is evenredig met de gemiddelde temperatuur tussen 1000 en 500 hPa, vandaar dat je ernaar kijkt om te zien of de bovenlucht koud genoeg is voor sneeuw.)
Als er neerslag valt bij de onderstaande setting zou daar best (natte) sneeuw bij kunnen zitten. Hangt ook af van de intensiteit (hoe meer sneeuw, hoe dikker de laag die afgekoeld wordt door het smeltproces en door verdampingsafkoeling, het 'zweeteffect').
Groet,
Alwin
Edit: Is dat alweer 6 februari??! Balen.
Quote selectie