Gronings voor beginners
U bezoekt als niet-Groninger onze provincie en u wilt u van uw beste zijde laten zien? Probeer dan eens wat eenvoudige groninger woorden en zinnen te bezigen in uw contacten met de noorderlingen. Ze zullen het zeker op prijs stellen wanneer u meer dan alleen maar 'Moi!' weet te zeggen.
Let wel even op de belangrijkste regel bij de uitspraak van het Gronings: knauwen is verplicht, maar overdrijf het niet!
Kies een rubriek
(deze versie: 2003-08-08; eerste versie: 2003-08-07)
- groeten
- uitroepen
- het weer
- tellen
- dagen, maanden, seizoenen
- boodschappen doen
- winkelen
- uit eten
Groeten
Hallo!
Moi!
Dag!
Doa!
Uitroepen
Bah!
Arregat!
Verdomme!
Verdamme!
Hopla!
Hiepsa!
Au!
Au!
Wat een gedoe!
Man, man, wat n bourel
Bangerik!
Schieterd!
Gemenerik!
Loezebos!
Ouwehoer!
Plaaze!
Niks mee nodig!
Niks mit vanneudeg!
Fantastisch gedaan, jongen/meisje!
Eh ... nait slecht, mien jong/wicht
Schitterend!
Eh .... nait maal
Schitterend!
Eh ... kon minder
Schitterend!
Eh ... kin der mit deur
Het weer
Mooi weertje, niet?
Nuver weer, naait?
De zon schijnt volop
Zunne schient dat t rabbelt
De tuin heeft wel wat regen nodig
Toene kin wel wat wotter broeken
Er staat flink wat wind, he?
Beste poeste wind, or!
Het motregent wat
t Miggelt wat aan
Die verdomde sneeuwtroep!
Dei röttige sneibourel ook!
Tellen
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10
ain, twij, drij, vaar, vief, zes, zeuven, acht, negen, tiene
11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19
elf, twaalf, dattien, vattien, vieftien, zestien, zeuventien, achttien, negentien
20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100
twinteg, datteg, vatteg, viefteg, zesteg, zeuventeg, tachteg, negenteg, honderd
1ste, 2de, 3de, 4de, 5de, 6de, 7de, 8ste, 9de, 10de
eerste, twijde, daarde, vaarde, viefde, zesde, zeuvende, achtste, negende, tiende
Dagen, maanden, seizoenen
maandag, dinsdag, ... , zondag
moandag, dinsdag, woensdag, dunderdag, vrijdag, zotterdag, zundag
januari, februari, ... , december
jannewoarie, febrewoarie, meert, april, maai, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december
lente, zomer, herfst, winter
lìnte, zummer, haarfst, winter
Boodschappen doen
Ben ik al aan de beurt?
Bin ik ol aan bod?
Doet u mij daar maar 200 gram van
Dou mie doar mor twij onze van
Het spijt me, ik heb geen kleingeld
Spiet mie, mor ik heb gain lözze sìnten
Heeft u voor mij ook een tasje?
Hebben ie veur mie ook n puutje?
Winkelen
Ik zoek een overhemd/broek/jas
Ik mout n bezoen/boksem/jaaze
Heeft u dit ook een maatje kleiner/groter?
Hebben ie dit ook n moatje klaainer/groter?
Hoeveel kost dat?
Kost dat?
Is dit afgeprijsd?
Is dit oafpriest?
Nee, dat vind ik te duur
Nee, dat begroot mie
Uit eten
Wat heb ik een honger!
Ik kin van honger deurklinke nait vinden
Heeft u voor mij een jenevertje?
Mag ik wel n klokje?
Een stukje vlees hoort er bij
Ik mot wel n lappie vlees op mien bord
En doet u ook maar wat salade
Dou der ook mor wat van dat koninevreten bie
Doet u maar!
Joamoar!
Nee, dank u, ik zit helemaal vol
Man, k heb pìnze op laiste!
We hebben heerlijk gegeten
Wie hebben lekker zitten te dikkedakken
Mag ik de rekening?
Tellen joe bourel even biemekoar op?
Quote selectie