Belangrijkste randvoorwaarden voor de ontwikkeling van een polar low zijn de de advectie van krommingsvorticiteit, een PVA-maximum en een licht barokliene zone waarin het laag zich ontwikkeld. Belangrijk om verder in de gaten te houden is dat een polar low zich onderscheid van bijv. een komma door het uniek soort energiehuishouding (vergelijkbaar met orkanen): het heeft een warme kern. Allereerst: ik heb geen rare temperatuur- of dauwpuntstijgingen gezien toen het ding passeerde, maar aangezien het hele systeem omringt werd door andere buien, de wind aanlandig was en de kern niet echt over één van de synoptische meetstations is getrokken, hoeft dit nog niet gelijk iets te zeggen.
Toch zijn er duidelijk aanwijzingen dat er wel degelijk sprake kan zijn geweest van een polar low, dat zich relatief zuidelijk heeft gevormd in nauwelijks echt arctische lucht (T500 tot -37°C). Eén van de aanwijzingen is de sterke advectie van (krommings)vorticiteit op het punt waar deze storing zich bevond, zie plaatje 1 en 2. Ook zijn stijgende bewegingen te zien, zie plaatje 3. Verder is een flauw gradiënt in theta-e/w te zien tussen het occluderende frontensysteem en de backbent occlusie, die om 12Z over het noorden van Engeland en de grens van Ierland met Noord-Ierland richting de oceaan lag. Dit suggereert dat het systeem in een marginale barokliene zone lag. Zie plaatje 4.
Er was ook sprake van een maximum in IPV (isentropische potentiële vorticiteit) net stroomopwaarts van het systeem. De barokliene band kan gezien worden als een anomalie van PV op laag niveau, terwijl IPV dit op grotere hoogte is. Als een dergelijke zone van hoge IPV boven een barokliene zone komt, kunnen deze elkaar versterken en zo het 'spinup' proces versnellen. Dit kan alleen als de cyclonale stroming die opgewekt wordt door de PV hogerop in de atmosfeer diep genoeg de troposfeer indringt. Zie plaatje 5.
Een nadere analyse met een mesoschaal weermodel zal beter kunnen uitmaken of de condities echt danig gunstig waren voor het vormen van een polar low dat we dit systeem achteraf als zodanig kunnen bestempelen. Er zijn in ieder geval genoeg aanwijzingen die in die richting wijzen. Wel zijn er complicerende factoren, zoals de nabijheid van 'gewone' fronten.
Gr. Ben

500 hPa geopotentiaal en luchtdruk op grondniveau, de sterke kromming van de isohypsen suggereren vorming en advectie van krommingvorticiteit.

Advectie van relatieve vorticiteit (een combinatie van schering- en krommingvorticiteit) met een maximum net voor het occluderende front uit en voor de Nederlandse westkust.

Sterke geconcentreerde stijgende bewegingen suggereren eveneens een losstaand systeem.

Met enige fantasie is een marginale barokliene zone zichtbaar tussen het occluderende frontensysteem boven het continent en de backbent occlusie op de grens tussen Engeland en Schotland.

Net stroomopwaarts van het systeem is een maximum in IPV (isentropische potentiele vorticiteit) te zien.
Quote selectie