Ik heb je link over Komitov aandachtig gelezen, en vind dit juist een onderschrijven van wat ik bedoel. Heel veel onduidelijkheden en onzuiverheden, maanden tot jarenlange onderbrekingen van waarnemingen enz. enz.
In het artikel van Komitov wordt helemaal
niets gezegd over onderbrekingen in waarnemingen. Het vergelijkt alleen de aanwezigheid van cycli in drie reeksen. Daaruit blijkt overigens ook wel indirect de kwaliteit van de reeksen, ik citeer:
,,In all three series the cycles of 80-90, ∼100, 110-130, ∼200 and 360-400 years as well as the quasy-11-year cycle are present. Unlike in the Schove and Hoyt-Schatten series, in the Greenland beryllium data a powerful 65-67-year cycle is well observed. There are statistically significant quasy- 20-22, 26-27 and 50-55-year cycles too. This is not typical of the instrumental sunspot data series like the Hoyt-Schatten (Rg) and Zürich (Ri) series, but it is very close to some climatic and geomagnetic indexes’ behaviour. The large-scale time variation structures of the three series are in good accordance with each other.''
Hun aantekening m.b.t. het gebruik van 'kosmogenische' isotopen voor het bepalen van historische zonneactiviteit is deze:
,,However, there are significant differences between the instrumental sunspot and beryllium data for the Maunder minimum (1640–1720 AD). On the other hand, evidence that there are no significant differences between Schove’s and the Rg series during the same epoch is given. These results pointed out that the “cosmogenic” isothopes series are not the perfect indicator for the active processes in the Sun’s photosphere and particulary — for the sunspot activity. In some “extremal” epochs (such as the Maunder minimum) the relationship between the solar wind and photospheric activity processes can be not very close and it can be statistically insignificant.''
In het artikel van Vaguero gaat het volledig over de kwaliteit van de reeksen, zo wordt dit gezegd over
met het oog waargenomen zonnevlekken:
,,Naked-eye observation cannot be interpreted quantitatively because only observed “spots” are reported and thus we can not distinguish between “nospot” and no-observation cases. Moreover, only a 67 per cent of Oriental naked-eye observations have been confirmed by telescopic observations during the period 1874-1918 (Willis et al., 1996).''
Hieruit maken we dus op dat er óók telescoopwaarnemingen waren in dat tijdperk. maar zelfs met dit gegeven merken de auteurs op:
,,Are the historical naked-eye observations useful for space climate studies then? The high resolution of these observations, compared with other proxies, can be used in a coherent form by space climate researchers.''
Zij benoemen verder een aantal (potentiële) problemen, die vrij gemakkelijk te verhelpen zijn: kalenderovergangen en maand- of jaarovergangen bijvoorbeeld. Soms was er ook verwarring tussen waarnemingen van zonnevlekgroepen of individuele vlekken. Toch zijn dit incidentele problemen in oude en bovendien betrekkelijk lange reeksen, wat opmerkelijk genoemd mag worden.
Verder is het een feit dat er tientallen reeksen bestaan van zonnevlekwaarnemingen, dus kleine gaten in
individuele reeksen zijn op zich geen ramp als de reeksen onderling wel sterk overeenkomen. De auteurs concluderen dan ook dat het gaat om kleine problemen met individuele reeksen, die nauwelijks invloed hebben op de kwaliteit van de gecombineerde reeksen en ook geen afbreuk doen aan de bruikbaarheid ervan voor vervolgonderzoeken (bijvoorbeeld in relatie tot klimaat).
Géén van de artikelen onderschrijft wat jij stelde: dat de waarnemingen van vroeger gokwerk zijn. De implicatie die ik proef dat die reeksen hoe dan ook vóór 1900 van matige tot slechte kwaliteit zijn, lijkt ook volstrekt onjuist. Gegeven de lengte en leeftijd van de reeksen zou ik eerder zeggen dat ze relatief zeer goed zijn. Het zou je geloofwaardigheid dan ook ten goede komen als je dit gewoon erkent

.
Gr. Ben
PS een publicatie met daarin aantekeningen over de kwaliteit van de waarnemingen van zonnevlekken dateert al uit 1940 (Arctowski). Toen was Al Gore nog niet eens geboren. Ook in de jaren '70 en '80 waren er onderzoeken.
Quote selectie