Er zijn zoveel voorbeelden van koude winters die in clusters van 2,3 of zelfs 4 zijn voorgekomen, dat ik me afvraag of het nu een fabel is dat statistisch gezien de kans op een koude winter na een jaar met koude winter groter is dan de klimatologie of niet.
Ik neem 100 Hellmannpunten dan als uitgangspunt.
1907-08-09
1939-40-41-42
1963-64
1970-71
1985-86-87
1996-97
Dat zijn dus 10 koude winters waarop nog een koude winter volgde. Er waren dan nog 17 winters met >100 Hellmannpunten waarop geen koude winter volgde. De 20e eeuw kende dus officieel 27 koude winters en dat is 1 op 3,7 winters. 10 van de 27 winters kenden een koude opvolger en dat is 1 op 2,7.
Of ga ik ergens de fout in, heren Lankamp, Lombaert, Haklander en anderen?
Overigens is die gekozen 100 H natuurlijk sowieso discutabel; er zijn zeker 8 winters die die hoeveelheid net niet halen.
Quote selectie