Ja, maar wat is de foutmarge in kilometers? Oftewel wanneer zit een model nog goed? Nederland is zo klein, terwijl 200 km verschil op dag 8 helemaal niks is...
Een foutmarge in kilometers van wat? De positie van een lagedrukgebied? De as van een hoogterug? Wat zegt dat verder? Wat kan je daarmee voor de modelinterpretatie? Heel weinig. De foutmarge in kilometers van bijv. een lagedrukkern zal sterk per werelddeel verschillen, in de tropen heb je nauwelijks afwijking en hier na dag 5 al 1500 kilometer. Toch is het model bruikbaar zo ver vooruit als je niet naar grondniveau kijkt maar hoger in de atmosfeer (je verschuift je focus). Voor de bruikbaarheid van een model en toetsing daarvan is het heel belangrijk te definiëren wát je wilt weten, wáár, hoe ver vooruit en wat het doel is. Voor de grootschalige evolutie van het weer (de Rossby golven) kijkt men meestal naar de faseontwikkeling op 500 hPa. In hoeverre het model waarde heeft kan je bepalen door te kijken hoe goed het model afwijkingen t.o.v. de 'normale' verdeling verwacht, de anomalieën dus.
GFS en ECMWF weten op dag 8 nog 0,6² = 36% van alle anomalieën juist te verwachten op het noordelijk halfrond (opgelet: omdat het om totale ruimtelijke correlatie gaat, valt niet te zeggen of de score komt omdat vooral fase of vooral amplitude goed verwacht wordt). Voor het Europees gebied verschilt dit weinig. R=0,6 is de grens die de technici bij NCEP en ECMWF hanteren voor 'bruikbaar'. Voor ons als weeramateurs is die grens echter arbitrair en niet tastbaar genoeg, ik zou zeggen dat je die rustig bij 50% kan leggen dus ~0,7. Voor GFS en ECMWF wordt die score of hoger behaald tot dag 7. Je kan allerlei manieren bedenken om te controleren hoe modellen het doen, maar dan hangt dus ook af van wat je wilt weten. Een goede manier om te kijken of de modellen vooral problemen hebben met faseovergangen (de overgang van een rug naar een trog op een gegeven breedtegraad) kan je kijken naar blokkadeindici. Hoeveel blokkades berekent het model en hoe zijn die ruimtelijk verdeeld? Alle modellen, ECMWF incluus, hebben nog altijd veel moeite om blokkades te verwachten. Ze onderschatten in de eerste plaats de frequentie ervan en ten tweede vaak ook de persistentie. Je zou kunnen zeggen dat de modellen een drang hebben terug te keren naar de 'normale' stroming, in onze omgeving de westelijke circulatie. Het model heeft dus een z.g. zonale bias. In 2006 is ook onderzoek gedaan naar blokkades in het EPS, daaruit bleek eveneens dat het model weliswaar meerwaarde heeft, tot dag 10 zelfs, maar dat het meer moeite had met de opbouw van blokkades dan de afbraak. Hierdoor ontstaat dus de lagere frequentie aan blokkades dan zou moeten.
Verificatie van modellen in ruimtelijke zin gebeurt d.m.v. correlatie tussen de verwachte afwijking van normaal en de waargenomen afwijking. Voor verificatie van punt gebeurt het middels bekende statistische scores zoals bias, root-mean squared error, et cetera. Stel je legt de grens van bruikbaar op een RMSE van de maximumtemperatuur van 3 graden. Die grens wordt ergens tussen dag 3 en 4 gehaald. Met het operationele model kan je dus niet verder kijken dan +84 oid. voor de Tx. Het EPS verlengt dit nog tot dag 6 (+144), vandaar dat de meerdaagse tegenwoordig een hele aardige score heeft. Wij weeramateurs kijken m.i. te veel naar Nederland en te veel in details en dus te weinig naar het grootschalige plaatje op hoogte over Europa en de Atlantische Oceaan.
Gr. Ben
Quote selectie