IJsdag
We spreken van een `ijsdag` wanneer op deze dag de maximum temperatuur, gemeten in een weerhut, -0,0 ºC of minder bedraagt. Nederland heeft gemiddeld per jaar tussen de 6 en 12 ijsdagen (De Bilt: 8). Het totaal aantal ijsdagen in een winter is een van de methodes om te berekenen hoe streng een winter was, echter een meer gebruikte methode is het koudegetal (of Hellmanngetal).
===
Van een ijsdag is sprake wanneer gedurende een etmaal de temperatuur (op 1,5 meter hoogte) op enig moment niet boven het vriespunt is gekomen. De maximum temperatuur ligt dus ook beneden het vriespunt. De maximumtemperatuur van die dag is dus kleiner of gelijk aan 0,0°C.
===
Een dag waarop de minimumtemperatuur onder het vriespunt ligt, wordt een vorstdag genoemd. Als het de hele dag blijft vriezen, dan spreekt men van een ijsdag. Gemiddeld telt ons land 7 ijsdagen in de kustprovincies en 12 tot 15 in het binnenland. Zachte winters gaan in het noorden en oosten van het land voorbij, zonder ook maar een ijsdag. In koude winters kan daarentegen het aantal ijsdagen 20 of 30 bedragen. In de strenge winter van 1963 bleef het plaatselijk op 25 dagen de hele dag vriezen.
Quote selectie