Opstijgende lucht koelt eerst droogadiabatisch
(1 graad/100m) af tot het dauwpunt en volgt daarna de natadiabaat. De natadiabatische afkoeling is ongeveer de helft minder dan de droogadiabatische. Wanneer het dauwpunt hoger ligt gaat de temperatuur in een opstijgende luchtpakketje eerder over in de natadiabaat en bouwt zo een grotere voorsprong op op de omgevingstemperatuur. M.a.w. de opstijgende lucht blijft nog warmer als die eerder de natadiabaat volgt. Verder is de natadiabatische afkoeling kleiner bij hogere temperaturen. Hierdoor bouwt zich meer CAPE op.
Stel het is 26 graden en dauwpunt 21 graden. Condensatie vindt dan plaats op 500 m bij 21 graden bij 1 graad afkoeling per 100m. Daarboven koelt de lucht nog maar met 0,4 graden per 100 m af. Op 1 km is dat 19 graad en op 2 km 15 graden. De omgevingstemperatuur op 2 km is bijvoorbeeld 10 graden. De lifted index (op 2 km) is dan 10-15 = -5 graden
Stel T =26 graden maar Td = 16 graden. Dan koelt de lucht tot 16 graden droogadiabatisch af en dat is op 1 km. Vervolgens koelt de lucht nadiabatisch af met 0,5 graad per 100 m en kom je op 2 km uit op 11 graden. Tomgeving was 10 graden en de lifted index is nog maar -1.
In werkelijkheid liggen de getallen wat anders maar het is gewoon even voor een ruwe indruk.
Victor
Quote selectie