Ik citeer even een stuk van mezelf van 19 juli 2007 (Alwin: corrigeer me waar nodig):
De mate van forcing en vooral de verticale diepte ervan is van belang voor de ontwikkeling van squalls (MCS'en en boogsegmenten daarin). Over het algemeen bij squalls is het zo dat deze zich oriënteren of ontwikkelen langs een bestaande lineair georiënteerde forcing, zoals een front of convergentiezone. Deze lijn kan zich vervolgens door interne dynamiek versnellen en 'weghollen' van de oorspronkelijke forcering, maar die forcering is wel belangrijk voor de initiële organisatie. De richting van de scheringsvector is ook van belang voor de organisatie, lineair georganiseerde complexen komen vooral voor als deze richting parallel is aan de oriëntatie van de forcing. De scheringsvector is niets anders dan het vectoriaal uitdrukken van de windschering in een bepaalde laag, dus de snelheid en richting van de schering uitdrukken als een vector.

In het figuur links is rood de scheringsvector, de zwarte korte pijl de windvector ondering de laag en de zwarte lange pijl de windvector boverin de laag. De scheringsvector wijst vanzelfsprekend van laag naar hoog. De richting van deze vector is dus WNW terwijl de gewone windvectoren WZW en vrijwel Z zijn. In deze situatie, indien de grote pijl de wind op 6 kilometer voorstelt en de kleine pijl de grondwind, zal de heersende windrichting voor buien ongeveer zuidwest zijn en is de richting van de scheringsvector dus min of meer parallel aan de voorzijde van de forcering die zich van zuidwest naar noordoost beweegt.
Dan nog een aanvulling van destijds n.a.v. een vraag van Frans (Harderwijk) die de MetEd module erop nageslagen had, zijn vraag:
"De richting van de scheringsvector is ook van belang voor de organisatie, lineair georganiseerde complexen komen vooral voor als deze richting parallel is aan de oriëntatie van de forcing."
Ik neem aan dat je het net andersom bedoelt ?
Gr. Frans
When estimating the shear environment of a squall line, it is the component of low-level environmental shear *perpendicular* to the line orientation that is most critical for controlling squall line structure and evolution. Throughout this module, we will refer to this perpendicular component of the low-level shear as the "line-normal" shear.
For instance, in the graphic to the right, the three squall lines are evolving in environments with identical shear profiles. Yet because of their orientations, they will not likely evolve in the same way. The uppermost line, because all the shear is line-normal, will likely be a strong, long-lived system. The bottom line, on the other hand, experiences no line-normal shear, so it will likely be a weaker, shorter-lived system.''
Mijn antwoord:
Er is een verschil tussen de richting van de forcering ('boundary') en de buien die eruit ontstaan. Een frontvlak zorgt voor optilling en daaruit ontstaan buien. Als het frontvlak evenwijdig is aan de scheringsvector zullen de buien die eruit ontstaan zich lineair organiseren en zal de ontstane buienlijn zich kantelen zodat de lijn loodrecht op de windschering in de onderste kilometers komt te liggen. Vandaag is dat west-oost en dat zie je dan ook gebeuren in Duitsland.
Jij en MetEd hebben gelijk dat de buienlijn uiteindelijk loodrecht op de scheringsvector zal staan, maar dat is initiëel niet het geval. Met ruimende winden is dit de oorzaak waarom squalls naar rechts afbuigen: ze gaan loodrecht op de scheringsvector bewegen.
Zie ook
Dial, G.L., and J.P. Racy, 2004: Forecasting Short Term Convective Mode and Evolution for Severe Storms Initiated along Synoptic Boundaries. Preprints, 22nd Conf. Severe Local Storms, Hyannis MA. [104K PDF]:
,,Preliminary results suggest that the orientation of the 2-6 km or 2-8 km mean wind with respect to the initiating boundary and the component of 2-6 km or 2-8 km shear normal to the initiating boundary are good discriminators between those environments where storms remain discrete within the first few hours after developing versus those where storms evolve into lines for storms initiated along a synoptic boundary. It would appear that when the mean 2-6 km or 2-8 km flow and boundary are nearly parallel, the precipitation cascades and associated outflows of neighboring storms may merge and consolidate more quickly. Results also suggest that when the component of middle level shear normal to the initiating boundary is weak, upstream development of a cold pool may occur more readily with a faster transition to lines than when this component of shear is strong. The amount of low level convergence appears to discriminate, but to a much lesser degree. Stronger low level convergence would likely lead to the development of more storms which would in turn increase the chances for storm interactions. Other than geometry and convergence, the type of initiating boundary also appears to play a role. It appears that storms initiated along cold fronts generally have a greater tendency to evolve into lines more quickly than those initiated along pre-frontal troughs or drylines.''
Snel vertaald: als de normaalcomponent van de windschering ten opzichte van de boundary klein is (er is nauwelijks sprake van enige loodrechte component, de vector is dus evenwijdig aan de boundary) is er sneller sprake van stroomopwaartse ontwikkeling van de coldpool met als gevolg een snellere overgang naar lijnen dan wanneer deze component groot is.
Gr. Ben
Quote selectie