Ik neem aan dat de lucht in Marknesse POTENTIEEL helder genoeg is om 150 km ver te kunnen zien?
Ja. Het zicht wordt 'gemeten' door het lichtdoorlatingsvermogen (transmissiviteit) van de atmosfeer te bepalen, en daaruit de zogeheten transmissiefactor (0-100%). Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde transmissometer. Op sommige stations wordt het zicht gemeten op een andere manier, namelijk met een scatterometer.
De transmissometer-opstelling bestaat uit:
a) een lichtbron (of zender) die hoogfrequent lichtpulsen (zichtbaar of infrarood) van zeer korte duur en zeer grote constante intensiteit uitzendt. Middels optica (parabolische spiegel, lenzenstelsel en diafragma's) wordt een smalle, evenwijdige lichtbundel geproduceerd, die gericht is op een of meerdere ontvangers, welke zich op enige afstand van de zender bevindt c.q. bevinden (bijv. 15 m, resp. 75 m). De lichtbron is gemonteerd op een mast en bevindt zich tussen de 2,0 m (synoptische stations) tot 2,5 m (aeronautische stations) boven het aardoppervlak. De hoogte verschilt weliswaar per locatie, en is niet overal geheel conform de gestelde norm (1,5 m) voor representatieve metingen, maar aangenomen mag worden dat de op deze hoogten verkregen metingen ruimschoots binnen de vereiste meetonzekerheid, geldig voor de representatieve metingen, zal liggen.
b) Een lichtdetector (of ontvanger) die de ontvangen lichtsterkte kan vaststellen, en deze sterkte in relatie kan brengen met de lichtsterkte van de uitgezonden lichtpuls. De detector is eveneens gemonteerd op een mast en bevindt zich op dezelfde hoogte boven het aardoppervlak als de zender.
De scatterometeropstelling bestaat uit één mast van 1,7 tot 2,5 meter hoogte, waarop gemonteerd zijn:
• een lichtbron vergelijkbaar met de lichtbron in de transmissometeropstelling (flitslamp met licht in het IR gebied);
• een ontvanger die de hoeveelheid verstrooid licht meet van een optisch volume bestraald door de lichtbron. Hierbij wordt licht gemeten dat is verstrooid onder een hoek van ca.33°. De grootte van deze intensiteit in relatie tot de intensiteit van het uitgezonden licht is afhankelijk van grootte en aantal deeltjes in dit verstrooiingsvolume, ook wel "sample volume"genaamd.
Uit de meting en kennis omtrent genoemd verband volgt een schatting van de zogeheten extinctiecoëfficiënt σ.
Uit de transmissiviteit wordt berekend hoe het zicht is en ook de eventuele oorzaak (heiig, nevel/mist, neerslag). De neerslagsoort wordt er ook mede mee afgeleid, je kan heel goed uit een combinatie van temperatuur, dauwpunt en verstrooiing bepalen of er sprake is van regen, hagel, sneeuw, etc.
Uit het handboek waarnemingen:
Instrumenteel gemeten zicht wordt gerepresenteerd door de Meteorological Optical Range (MOR). Deze "range" is de lengte van het pad in de atmosfeer waarbij de luminantie (Cd/m2) van een evenwijdige lichtbundel, afkomstig van een bron met temperatuur 2700 Kelvin (corresponderend met een golflengte van ca. 550 nm), wordt verminderd tot 5% van de oorspronkelijke waarde. MOR moet worden gezien als een objectieve fysische parameter, die uitsluitend wordt bepaald door de toestand van de atmosfeer en onafhankelijk is van de kwaliteit van het menselijk oog dan wel van enige meteorologische toepassing: het is een pure meetwaarde. Overigens is gekozen voor een waarde van 5% omdat de bijbehorende MOR dan het beste overeenkomt met het door Handboek Waarnemingen; 9. Zicht; versie april 2005 de mens waargenomen zichtbereik. Dit bereik betreft daarbij het kunnen herkennen van een donker object tegen een lichte achtergrond.
In alle gevallen is het berekende zicht eigenlijk puur hypothetisch, want nergens wordt de kromming van de aarde ingecalculeerd. Bovendien is, zeker in Nederland, het effectieve horizontale zicht vaak minder dankzij horizonvervuiling. In de synoptische waarneembulletins wordt hoe dan ook zicht doorgegeven boven de 10 kilometer als 9999 meter.
Het 'probleem' zit hem al met al dus in de manier van meten op zich. Zoals gezegd wordt het zicht afgeleid aan de hand van de samenstelling van de atmosfeer (verstrooiing van licht). Dit is feitelijk maar representatief op een zeer kleine schaal, hoogstens enkele meters rond de sensor. Het
effectieve zicht
rond de apparatuur, in een bepaalde richting of zelfs naar alle richtingen, kan heel anders zijn (beter of slechter). Nu merk je bij erg goed zicht dat er eigenlijk niet-representatief gemeten wordt, maar bij grondmistbanken die tot sensorhoogte komen (slechts 1,5 tot 2 meter) zie je dit ook gebeuren. Dan geeft de sensor misschien 200 meter zicht aan, terwijl een waarnemer duidelijk kan zien dat het slechts enkele losse mistbanken zijn met daaromheen uitstekend zicht.
Voor een vliegveld is dit een significant probleem, een vliegtuig kan veel moeilijker landen in echte dikke, dichte mist dan in een omgeving met een paar grondmistbanken. het probleem zit hem dus nogmaals niet in de apparatuur, die meet precies wat hij moet meten en het afgeleide theoretische horizontale zicht klopt prima, maar het is slechts representatief voor de zeer nabije omgeving van de sensor. In veel situaties zijn de zichtwaarden ook heel aardig representatief voor de wijde omgeving eromheen, maar soms dus niet. In zeldzame gevallen levert het zelfs rare paradoxen op (zoals hier).
Gr. Ben
Quote selectie