Hoi Ben,
Allereerst wil ik je graag bedanken voor deze uitvoerige en goed onderbouwde bijdrage.
Dan rest me nog een aantal vragen/opmerkingen:
1) Je hebt gekozen voor de laatste dertig jaar en ook uitgelegd waarom. Zouden de conclusies ook wezenlijk anders zijn wanneer je een langere periode neemt van bijvoorbeeld 50 of 100 jaar?
2) Dezelfde vraag maar dan met betrekking tot de periode van de tijdelijke trend. Het jaar 2000 als begintpunt lijkt me logisch maar komt overeen met 8 jaar en 9 maanden. Je zou ook de laatste 10 jaar kunnen nemen. Vanaf 1998 is de trend namelijk al neutraal of zelfs dalend.
3) Je neemt aan dat de temperatuur op lange termijn een lineair stijgende trend vertoond en de afwijking sinds 2000 valt keurig binnen die trend. Ik onderschrijf dan ook jouw conclusies. Ik begrijp denk ik ook waarom je voor een lineaire trend hebt gekozen. Naast dat het statistisch simpeler te benaderen is strookt het ook met de visie van het antropogene broeikaseffect. Maar naast lineaire trends bestaan er in het klimaat ook oscillerende curves met zeer uiteenlopende perioden en amplitudes. Is het met deze methode ook mogelijk sinusoïde curven te analyseren? Op het oog matched de temperatuurcurve beter met multidecadale oscillaties, zeker wanneer je veel verder terug gaat in de tijd.
Mijn (voorlopige) conclusie is dat het waarschijnlijker is dat de temperatuur een golvende opwaartse lijn vertoont dan een lineaire trend, hoewel dat laatste niet uit te sluiten valt. Gezien de periode van de sinus zou het vlakke temperatuursverloop van de laatste 10 jaar met nog zeker 10 jaar moeten worden verlengd.
Slotvraag:
In hoeverre mogen theoretische overwegingen en het gewicht daarvan meegenomen worden in het bedrijven van statistiek? Daarbij in het achterhoofd houdende dat statistiek een bijdrage levert aan het gewicht van de theorie.
groeten Victor
Quote selectie