Ehm... ja kun je doen. Maar onstabiliteit die in convectie vrijkomt is geen potentiƫle onstabiliteit (d theta_w/dz < 0) maar latente onstabiliteit (CAPE > 0).
Uiteraard, de Ivens index probeerde alleen de versnelling van neerwaartse luchtbewegingen door het zwaarder worden van lucht t.g.v. afkoeling door verdamping van vocht in een droge luchtlaag te vatten. Als je zo'n droge luchtlaag hebt, dan is die laag geregeld ook potentieel onstabiel, dus met afnemende theta-e/w met hoogte. Er valt wel iets voor te zeggen, en verderop lees ik dat Oscar in wezen dezelfde benadering kiest. Alleen hij pakt een andere luchtlaag.
De wind op 300 hPa zit er misschien in omdat het iets zegt over de forcing: een sterke jet is veel forcing. Maar de Ivens index lijkt mij toch een beetje achterhaald. Je kunt moeilijk een enkele formule bedenken die windstoten bij compleet verschillende convectieve systemen (squall-lines, losse buien, supercells) goed voorspellen.
Zou kunnen ja, in de publicatie wordt helaas niet uitgelegd waarom de parameters gekozen zijn. De Ivens-index is eigenlijk alleen bedoeld voor squalls. Hij werd gepresenteerd in 1988 in een kleine publicatie op een congres in de V.S. onder de kop 'Forecasting the maximum wind velocity in squalls'.
Mij voorkeur is het in elk geval om te kijken naar de achterliggende fysische processen. Een sterke windstoot kan veroorzaakt worden door tenminste twee dingen. Ofwel is er een sterke neerwaartse stroming die horizontaal wordt afgebogen, ofwel worden sterke horizontale winden op enige hoogte (1-3 km, zeker niet meer) naar het aardoppervlak getransporteerd.
Natuurlijk is het normaal gesproken een combinatie.
Versnelling van vochtige lucht of regen die valt door een droge luchtlaag valt hier ook onder, lijkt me. Die lucht koelt immers af, wordt zwaarder en zakt naar beneden. Uiteindelijk kan je een soort 'lawine-effect' krijgen, resulterend in zware windstoten of zelfs een downburst. Zo uit mijn hoofd, dan

.
Dus, mij lijkt dat de beste predictoren zijn: 1) de wind op 1-3 km hoogte, en 2) de verticale snelheid van downdrafts. De laatste kun je schatten door DCAPE te integreren tussen 3 km en de grond. Een benadering voor die parameter is het theta-e(of-w) verschil tussen de grond en ongeveer 3 km hoogte. Die wordt in Oscar's kaarten weergegeven.
Het verschil in theta-w tussen grondniveau en 3 km hoogte, dus, de Ivens index neemt ruwweg het verschil tussen 1,5 en 5 km, vaak de verticale laag waarin het zwaarste deel van de bui zich bevindt. De keuze voor die hogere laag lijkt in eerste instantie logisch, maar volgens mij wordt de meeste winst in snelheid (momentum) behaald in de onderste regionen van de bui en onder de wolkenbasis. Daar zijn m.i. de dichtheidsverschillen ook het grootst. Zodoende is er veel meer te zeggen voor Oscar's keuze.
Gr. Ben
Quote selectie