Natteboltemperatuur = temperatuur neerslag. Dus intensiteit doet er niet toe.
Zo heel erg simpel is het niet, de natteboltemperatuur van de lucht is niet 'instant' gelijk aan de neerslag. Bovendien verandert de temperatuur van de neerslag ook. De intensiteit is zeer belangrijk voor de neerslagvorm. De intensiteit bepaalt namelijk óf en hoe snel de smeltlaag in dikte afneemt. Het heeft te maken met de balans tussen verschillende processen.
Het smeltproces van vallende sneeuwvlokken trekt de Tnattebol naar 0°C. Dit resulteert ook in een onstabiele smeltlaag. Anderzijds leidt oververzadiging van de afgekoelde luchtlaag weer tot condensatie en dus vrijkomen van latente warmte. Je kijkt dus naar de energiebalans in de luchtkolom.
De verandering in de natteboltemperatuur is het netto resultaat van enerzijds afkoeling door smelten van vallende sneeuwvlokken en anderzijds vrijkomende latente warmte door oververzadiging van de onderkoelde lucht.
Zo kom je tot een stelregeltje voor droge sneeuw: de hoeveelheid neerslag die nodig is, om een smeltlaag te laten verdwijnen, is Rc ~ 0,055 Tnb Pf, waarbij Tnb = de laaggemiddelde natteboltemperatuur en Pf is de dikte van de luchtlaag in hPa. Zo geldt dat je 5,5 mm neerslag nodig hebt, om een luchtlaag van 100 hPa en een gemiddelde natteboltemperatuur van +1°C naar 0°C te krijgen. Hier speelt de intensiteit inderdaad geen rol, wel de hoeveelheid die valt.
Bij natte sneeuw is de intensiteit van de neerslag wel belangrijk, die is namelijk bepalend voor de dikte van de laag waarin smeltende sneeuwvlokken nog overleven. Volgens Lamb (1963) geldt dat, in 90% van de gevallen, opgaat: Pf = 32,3 l
0,34 + 10, waarbij l = de intensiteit in mm/u. Als je dat verrekent met de voorgaande vergelijking, kom je op de volgende vergelijking voor de kritische hoeveelheid neerslag bij een gegeven intensiteit die nodig is voor natte sneeuw:
Rcm = [0,055 * Tnb * Pf] - [2,42 * I
0,68 + 1,50 * I
0,34 + 0,23]
Invullen voor 115 hPa ,Tnb +4°C en 15 mm/u levert een kritische hoeveelheid van 6 mm op. Bij een lagere intensiteit heb je meer neerslag nodig, om natte sneeuw te krijgen. Dit blijkt ook in de praktijk: bij lage neerslagintensiteit zijn de termen van opwarming en afkoeling teveel in balans.
Naast doorvallende neerslag speelt turbulentie, uiteraard, ook een rol voor de exacte neerslagvorm en het punt van overgang. Onderschat het effect van afkoeling door intensieve neerslag echter niet.
Nota bene: de smeltlaag is de dikte van de laag met Tnattebol > 0°C
Gr. Ben
Bronnen: Lumb (1963), presentatie Alwin Haklander over NESO-methode
Quote selectie