Om de zomerwarmte in een getal uit te drukken kennen we allemaal wel het warmtegetal. Neem van iedere dag die een gemiddelde (Tg) heeft boven 18,0°C het overschot en tel al die overschotten bij elkaar op. Bijvoorbeeld : Tg=19,3 levert 1,3 voor het warmtegetal.
Het warmtegetal is de tegenhanger van het koudegetal volgens Hellmann; daarbij nemen we de gemiddelde etmaaltemperaturen onder 0 en tellen die op. Tg=-3,2 levert 3,2 aan het koudegetal.
Waarom nu die grens van 18°C ? Je zou ook kunnen nemen de grens van het zomergemiddelde, dat is 16,6°C (voor de periode 71-2000). Dat betekent echter, dat je in een gemiddelde zomer de helft van de dagen als "warm" gaat bestempelen. Dat is niet reëel. De grens van 18° is wat dat betreft beter : de gemiddelde overschrijdindsfreqentie van die grens is ongeveer gelijk aan de onderschrijdingsfrequenties van 0°. Met andere woorden : gemiddeld komen in een jaar ongeveer even veel vorstdagen (Tn<0,0°) voor als warmtedagen (Tx>=18,0°).
Het bovenstaand verhaal over frequenties geldt voor het oude klimaat en is dus hoogstwaarschijnlijk achterhaald. Maar goed, we zitten met die traditie van het berekenen van het warmtegetal. (In excel is het in een handomdraai aangepast trouwens : warmtegetal 2003 op basis van 19°C is 84.1 en loopt dan ineens achter bij 1983 met 89,4.)
De bekende klimaatstatisticus Folkert IJnsen introduceerde voor de winter de koudesom, en daarbij het begrip "verloren koudesom". Het idee daarachter is het volgende : ook dagen met een gemiddel van 0 of daarboven kunnen vorst met zich mee brengen. Door via een benaderingsformule die "vorstperioden" binnen een dag te integreren ontstaat de koudesom. Eenvoudig voorgesteld gaat dat als volgt : kijk naar de periode waarin het vriest, schat de gemiddelde temperatuur in die periode en vermenigvuldig met het aantal uren en deel door 24. Een nacht vorst van gemiddeld -3 gedurende 8 uur levert : 3*8/24=1 punt voor de koudesom.
Met die koudesom neem je alle vorst mee van een winter. Het verschil met het koudegetal noemt hij dan : verloren koudesom. Dat kan relatief flink oplopen, mat name in zachte winters. Wij, als sneeuw-, ijs- en schaatsliefhebbers hebben daar niet zo'n boodschap aan, maar voor de statistiek is het wel interessant. Zo kreeg de "winter"van 2000 een koudegetal van 3,6 met een koudesom van 13,7. De meeste vorst zat dus in de lichte nachtvorst en niet in de Hellmanndagen.
Tegenover de koudesom hanteert hij de warmtesom voor de zomer. Ook daar blijft de 18°-grens gehanteerd. Ik ben zelf wel een voorstander van de 20°-grens. (Daar heb ik vorig jaar uitgebreid over bericht) Ik heb daar twee redenen voor :
a. De 18° wordt in de zomer veel gemakkelijker overschreden door Tx dan de 0° in de winter wordt onderschreden door Tn.
b. Temperaturen boven 20° worden als warm ervaren ; bovendien kennen we al het begrip warme dagen, waarin ook die 20° als grens fungeert.
IJnsen is voor deze argumentatie niet gevoelig, heb ik gemerkt.
Nu maar weer uitgaand van die 18° als grens, komen we ook in zomers opvallende zaken tegen in de relatie tussen warmtegetal en warmtesom. Ook hier geldt : bij extreme, dus warme, seizoenen liggen warmtegetal en warmtesom relatief dicht bij elkaar; de warmtesom is dan ongeveer anderhalf maal het warmtegetal. Bij gematigde of koele zomers kan de warmtesom tot 3 of 4 maal zo hoog oplopen; of in een extreem geval als 1965 tot 10 maal! Ik heb een tabelletje hieronder bijgevoegd, zodat je dit fenomeen zelf kunt constateren. Zoals ik al noemde is 1965 extreem.
De zomer van 2004 heeft een Wy/W verhouding van 1,5 . Op dit punt gedraagt 2004 zich als een warme zomer! Overigens liggen warmtegetal en zomergemiddelde-temperatuur over juni, juli en augustus iets boven normaal. (= gemiddelde 71-00)
Quote selectie