Op een tijdschaal van weken tot maanden speelt de interactie tussen atmosfeer en oceanen een grote rol in de variaties in het weer (vooral afwijkingen daarin). Zo bestaan er oscillaties, schommelingen, in neerslagpatronen die seizoensmodellen kunnen verwachten. Eén zo'n voorbeeld is de Madden–Julian oscillatie, een equatoriaal gebonden oscillatie van afwijkende neerslagpatronen met een cyclustijd van 30 tot 60 dagen.
De seizoensmodellen rekenen in tijdstappen van 30 tot 45 minuten vooruit. Het kan niet gelijk met een dag of week, omdat dit rekenkundig (op een computer) niet met grotere stappen kan. Bepaalde termen in de prognose-vergelijkingen leveren dan waarden op, die te groot zijn om te verwerken door een computer. Er is dus uitvoer per uur of 3 uur en die wordt ook gebruikt, om ook te kijken c.q. controleren of het model niet 'ontspoort'. Naar de buitenwereld wordt uitvoer per zes uur beschikbaar gesteld.
Je kan de CFS-uitvoer niet 'puur' aannemen, net als een gewone numerieke weersverwachting die operationeel gebruikt wordt. Het is een middel om (kans)verwachtingen voor langere termijn mogelijk te maken. Het gaat dus om gemiddelden, afwijkingen en trends die de verwachtingen opleveren. Precies op dezelfde manier zoals een klimaatmodel wordt gebruikt.
Het nut van seizoensmodellen, als je ze op die manier gebruikt, staat buiten kijf: er kan al drie tot vijf maanden van te voren worden gezegd of er een El Niño of La Niña op stapel staat. Het optreden daarvan heeft sterk zijn weerslag op neerslag en temperatuur in de tropen en subtropen. Daar kunnen bepaalde marksectoren, zoals de agrarische sector, weer hun voordeel mee doen. Ook zijn er verwachtingen, met redelijke betrouwbaarheid, van het soort orkaanseizoen (actief, inactief) mee te maken. Veel instanties maken inmiddels al jarenlang met succes gebruik van de CFS-berekeningen en zijn er soms zelfs behoorlijk van afhankelijk.
Eerste afbeeling: alle modelberekeningen voor de 'ENSO-index' (positief = El Niño, negatief = La Niña) voor de komende maanden. Hierin zijn zowel het ECMWF seizoensmodel, als het CFS, alsmede nog twee andere seizoensmodellen opgenomen. Het is nu dus al duidelijk dat we een El Niño gaan krijgen in augustus en het vroege najaar.
Tweede afbeeling: dezelfde 'ENSO-index' prognose, maar dan van januari t/m juni, inclusief de waargenomen index (blauwe stippellijn).
Gr. Ben
Quote selectie