Ik kan niet voor het KNMI spreken, maar voor het weerkaartje in de regionale edities van het AD, hoog ik de maxima en minima in stedelijke gebieden altijd op, voor bijvoorbeeld Rotterdam soms wel 3 graden in de nacht. Voor dergelijke gedetailleerde berichten leent het ook zich om verschil te duiden. Op landelijk niveau kan je redelijk af met temperaturen die gemeten worden in het open veld.
De verdeling tussen inwoners in stedelijk en landelijk gebied, is ca. 40%-40%, met 20% in overgangsgebied (bron: CBS). Op dit moment ligt 80 tot 90% van de weerstations echter in landelijk gebied. Je zou dus kunnen pleiten om tenminste het aantal stations in de overgangsgebieden te verhogen, zodat de verdeling van stedelijk-overgang-landelijk naar 0/50/50% gaat, in plaats van 0/20/80%.
Wat betreft de optie van stations in steden: hoe groter de verstedelijking, des te groter de ruimtelijke variatie. Dat maakt dus een 'representatieve' meetplek vinden, erg moeilijk. En je komt daarmee bij het onderliggende doel van het meetnetwerk: wil je de temperatuur voor een omgeving zo goed mogelijk meten, of de luchtmassa zo goed mogelijk meten? Het KNMI en de WMO hebben dat laatste altijd als uitgangspunt gehad, om wetenschappelijke redenen. Om daar vanaf te stappen enkel vanwege de weerberichten, lijkt me dan ook niet handig.
Maar er is een andere reden om wél stations in de steden te plaatsen: de monitoring van klimaatverandering. Urbanisatie en het effect ervan op het lokale klimaat is belangrijk voor natuurkundige prognoses van het klimaat op regionale en mondiale schaal, maar ook relevant voor impactscenario's: bijvoorbeeld, welk effect heeft een 20% toename in hittegolven op de hittestress in stedelijke gebieden? Je kan die stations natuurlijk vervolgens ook gebruiken om de weerberichten voor binnensteden te verbeteren.
Gr. Ben
Quote selectie