- In 1963 waren er nog geen weercomputers en tekende men zelf kaarten aan de hand van weerballonnen, scheepsmetingen en wellicht satelliet.
Toch wel, Ernest, toch wel. Ik citeer Armand Pien:
"In het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België te Ukkel, kregen we op 7 april 1962 een elektronische ordinator, namenlijk een IBM 7070 (waarvan het geheugen een capaciteit bezit van 5000 getallen van 10 cijfers). De weersvoorspellingen voor de toekomst zullen dus ook op een andere leest geschoeid worden dan de empirische methode die ik zoëven heb uiteengezet. Alles vertrekt echter van dezelfde basis, namelijk waarnemingen en hoogtegegevens!
Maar de methode verandert, want hier zullen we nu gebruik maken van de ‘geneugten’ van de wiskunde. Inderdaad zijn de veranderingen die in de troposfeer plaatsgrijpen afhankelijk van een reeks wetten van de aërodynamica en thermodynamica. Uit een begintoestand tracht men een verdere evolutie in de tijd af te leiden. Maar de vergelijkingen zijn al zo ingewikkeld, dat zelfs een elektronische ordinator er zijn ‘haar’ bij zou inschieten. Men moet het geval simplifiëren tot eenvoudige wetten, zodat reeds al de termen uit de theoretische vergelijking worden geëlimineerd die niet waarneembaar of voldoende bekend zijn. Zo reduceert het geval zich tot de berekening van een toekomstig drukveld op grote schaal in de hogere luchtlagen (meestal 500 mbar, dwz tussen 5 en 6 km boven het zeeoppervlak).
Gaan we na wat er nu gebeurt.
Vooreerst worden alle ‘meteo’s’ die op de telex binnenlopen op geperforeerde banden geplaatst, die dan, dank zij een ponsmachine, op ponskaarten worden overgebracht. Nu treedt de IBM 7070 in werking! Vooreerst (volgens een opgegeven programma) haalt zij er de aërologische waarnemingen uit, die ze controleert en per peiling overbrengt op afzonderlijke ponskaarten. De tweede fase bestaat erin dat er een objectieve analyse gebeurt van de 500 mbar-kaart, dank zij die aërologische waarnemingen en de 24-uur voorspelling.
De derde fase start van deze objectieve analyse, waar, dankzij de vergelijking van Poisson, een voorspelling wordt afgeleid voor de volgende 12, 24, 36 en 48 uur (men streeft reeds naar 72-uur-voorspellingen). Dan is de taak van de IBM 7070 ten einde en de gegevens worden via een tabulator overgebracht op een rooster, waar door middel van asterisken en blanco gebieden de hoogtelijnen (isohypsen) van de voorspelde 500 mbar-kaart worden getekend. Hier moet nu onvermijdelijk de meteoroloog weer inspringen, want hij moet de correlatie vinden tussen deze bekomen 500 mbar-kaart en de grondkaart, om daaruit een voorspelling af te leiden. De resultaten blijken goed te zijn, hoewel het onmogelijk is een percentage op te geven, gezien het onderzochte aantal gevallen nog te klein is. Ook tracht men steeds betere ‘modellen’ te vinden (betere programma’s, vergelijkingen, enz.) om tot juistere voorspellingen te komen.
Een 24-uursvoorspelling neemt 1 uur in beslag, die over 48 uur wel een paar uur, maar routinewerk zal deze periode bekorten.
Maar iets is zeker: dat ook een elektronische ordinator nog geen 100 procent nauwkeurigheid zal brengen en dat het vooralsnog ONMOGELIJK is ‘weken’ vooraf te voorspellen. Hoe langer de te voorspellen periode, hoe groter ook de onnauwkeurigheid wordt!
Het grote voordeel van zo’n IBM 7070 is echter, dat ze met alle waarnemingen rekening houdt… terwijl het menselijk brein zo’n aantal gegevens onmogelijk kan verwerken.
Dankzij de wiskunde dus… minder vergissingen!”
Armand Pien, “Zwaar bewolkt met Opklaringen”, p110-112, Uitgeverij Heideland-Orbis (Hasselt), 1963.
Quote selectie