Een korte nabeschouwing met de radiosondeoplating van De Bilt van vanmiddag als uitgangspunt. De onstabiliteit was gering en beperkt tot de onderste 4 à 5 kilometer. Al met al ging het om hooguit 200 tot 300 J/kg aan CAPE, voor het meest onstabiele luchtpakketje. Dit terwijl de grondtemperatuur wat hoger is uitgekomen dan de modellen hadden voorzien (tot ruim 23 graden in Limburg), al vielen de dauwpunten juist weer wat lager uit, mede omdat er door de sterkere instraling en meer warmte ook meer menging was over een diepere luchtlaag. Al met al kon een bui zich ontwikkelen tussen 1000 en 6000 meter hoogte (rode balk in de afbeelding onderaan).
Daar staat tegenover dat de wind met hoogte flink in snelheid toenam: van 10 knopen op grondniveau naar 45 knopen op 6 kilometer, geeft 35 knopen aan
schering. Er is weinig verandering in windrichting te zien, waarbij de richting bovendien haaks staat op de vore die er passeerde. Dit is een sterke aanwijzing dat buien die ontstaan op zo'n vore, de neiging zullen hebben zich te organiseren in lijnen. Er was geen sprake van een strakke, sterke
jet streak om nog wat extra dynamiek te geven in de hoogste luchtlagen, wat mogelijk debet is geweest aan het bevorderen van de zwaardere buien.
De lucht was onderin duidelijk vochtig genoeg om buien een kans te geven, het condensatieniveau lag zelfs onder de 1000 meter. Dit verklaart ook de mooie shelf clouds die vanmiddag en vanavond zijn gefotografeerd. Het nulgradenniveau lag rond 2200 meter, met het optimale ijskiemniveau (bij -13°C) rond 4500 tot 5000 meter (blauwe balkje in de afbeelding). Voor de meeste bliksemactiviteit heb je bij voorkeur sterke stijgbewegingen in dit deel van de atmosfeer. Aangezien de buien door de geringe onstabiliteit geen grote verticale ontwikkeling hadden, lag het optimale punt voor ijskernen tamelijk hoog in de bui. Dit verklaart volgens mij waarom de onweersactiviteit wat tegenviel. Er was simpelweg te weinig opwekking van elektrische lading in het deel van de bui waarin ijskristallen (korrelhagel en hagel) werden gevormd. Als de buien waren ontstaan in een omgeving met meer onstabiliteit, over een diepere laag, vooral tussen 4 en 7 km hoogte, was de onweersactiviteit vast veel hoger geweest. Dit had ik zelf ook min of meer verwacht, vandaar dus ondanks de mooie luchten een dubbel gevoel.
Tot slot: er is achteraf eigenlijk weinig potentie geweest voor supercells. Er waren nergens echt gebieden waar de windrichting in de onderste 500 tot 1000 meter duidelijk gekrompen was ten opzichte van de luchtlagen erboven. Het condensatiepunt lag wel laag, dus een eventuele
tornado zou goed te zien zijn geweest, maar de buien waren niet sterk genoeg en in de windschering ontbrak toch een stevige 'draaicomponent'.
Opmerkingen/kritiek is welkom.
Gr. Ben
Quote selectie