Door de opwarming van de aarde neemt in het winterhalfjaar de hoeveel sneeuw en de intensiteit van de sneeuwval boven de 65ste breedtegraad toe. De sneeuwlaag wordt daar dus flink dikker en smelt daardoor wat minder snel weg. Dit ondanks de door de opwarming hogere temperaturen in de lente, zomer en herfst. Kortom, het blijft op hoge breedte wat langer wit. Daardoor verandert de albedo van het landschap en wordt de zonnewarmte langer teruggekaatst.
Dat impliceert, dat in voornoemde regio's de dikkere sneeuwlaag uiteindelijk voor een langzame afkoeling gaat zorgen. Dat heeft uiteraard ook effect op de wat zuidelijker gelegen regio's. Uiteindelijk ontstaat een soort "sneeuwbaleffect" waardoor de afkoeling zich steeds iets verder zuidwaarts uitbreidt. Het is een theorie die weleens "van broeikas naar ijskast" wordt genoemd. Uiteraard meld ik dit niet als feit, maar puur als een theorie in de klimatologie.