Gisteravond ging het hier op het forum in een kelder van een thread ook even over klimaatveranderingen en de vragen die daarbij opkomen.
Steeds sterker worden de geluiden dat wij momenteel zo'n klimaatverandering meemaken. Het gaat warmer worden, zegt men, er gaat meer neerslag vallen, echter ook kans op extreme droogteperioden en de zeespiegel zal rijzen.
De door mijzelf opgeworpen vraag naar aanleiding van een recent artikel in Elsevier Weekblad over de heerlijke warme weerstoestand in de Riddertijd toen het wel 2 graden warmer was dan nu en wijnbouw mogelijk bleek tot in Denemarken, hoe het toen dan zat met het hoogwater, gaf mij aanleiding even te spieken bij mijn favoriete weerboekenschrijver: Drs. Jan Buisman. In "Bar en Boos.Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen" beschrijft hij in een nutshell ook klimaatsveranderingen en op een gegeven moment was het zo, dat het leek alsof ik een beschrijving van onze tijd las. Maar het was een andere tijd, een tijd met een andere klimaatsverandering, maar wel met verschijnselen die ook wij weer leren kennen de laatste 15 jaar. Interessant is dat Buisman dit schreef nog onder het "oude klimaatregime", vóór de temperatuursprong van 1987. Het boek is namelijk verschenen in 1984.
Ik citeer, al je zin hebt, mag je meelezen:
"De term klimaatverandering wordt vaak misbruikt. De tijd waarin men het klimaat als een onveranderlijke grootheid zag in tegenstelling tot het wisselvallige, steeds veranderende weer, ligt gelukkig ver achter ons. Maar we mogen evenmin in het andere uiterste vervallen en na een paar strenge winters of koude zomers van de daken roepen dat er nu binnen vijftig jaar wel een ijstijd zal aanbreken of omgekeerd dat Amsterdam en andere laaggelegen steden door het rijzend zeeniveau (een gevolg van het stijgend koolzuurgasgehalte (CO2) van de atmosfeer en het daaruit voortvloeiende broeikaseffect met smeltende ijsmassa's) niet lang na het jaar 2000 onder water zullen staan. Dergelijke berichten zijn onzinnig. De relatie opwarming-smelten ijskappen-stijging zeeniveau is ingewikkelder dan vaak wordt voorgesteld. Het is mogelijk dat verdamping en neerslag (in de poolstreken in de vorm van sneeuw) zo sterk toenemen, dat de ijskap van Antarktika veel dikker wordt zodat het zeeniveau dus niet of nauwelijks stijgt of zelfs iets daalt. Als er op dit gebied iets zeker is, dan is het dat het met ons klimaat alle kanten uitkan. Wél staat het vast dat de menselijke invloeden op het natuurlijke klimaat steeds sterker worden en dat is iets om ons ongerust over te maken.
Ik wil hier 'klimaatverandering' reserveren voor het geval, dat er op een bepaalde plaats gedurende tenminste enkele tientallen jaren veelvuldig weersituaties optreden, die voordien als abnormaal werden beschouwd. Klimaatveranderingen, zoals in de 16e en 19e eeuw vinden altijd hun weerslag op demografisch gebied (bijvoorbeeld migraties van mensen) en in de sociaal-economische sfeer. Sommige hedendaagse klimatologen schrikken er niet voor terug het klimaat en de variaties daarin aan te duiden als de meest destabiliserende factor in de wereldeconomie.
Rond het jaar 1000 moet er op het N.halfrond - althans in het n. van de Atlantische Oceaan een klimaat hebben geheerst, dat de Noormannen in staat stelde hun tochten naar Groenland (dat zijn naam toen eer aandeed)en zelfs N.-Amerika te maken. Maar dan volgt er langzaam maar zeker en met ups en downs een achteruitgang. Terwijl W.-Europa in de 13e eeuw nog een bloeitijd beleeft - de landbouw floreert, de bevolking groeit en er wordt veel land ontgonnen - is blijkens de verlaten nederzettingen in het n. van Skandinavië de afkoeling al aan de gang. Rond 1300 beleven grote delen van Europa een opvallende kentering op economisch en domografisch gebied, er volgen gedurende anderhalve eeuw verscheiden misoogsten, hongersnoden en epidemieën (zarte dood!), de bevolking stagneert, neemt zelfs af. Bij dit alles heeft als één van de factoren zeker een verslechtering van het klimaat een rol gespeeld. De oorzaak daarvan is nog niet bekend; het is mogelijk dat de afkoeling is toe te schrijven aan de wijzingingen in de aktiviteit van de zon, zo is het opvallend dat twee perioden met weinig of geen zonnevlekken (Spörer-minimum, ca 1400-1510 en Maunder-minimum ca 1645-1715) grofweg samenvielen met veelvuldig koud weer. De dertiger jaren van de 15e eeuw zijn zelfs zó bar geweest (reeks strenge winters), dat sommigen niet aarzelen hier het begin te leggen van de zg. Kleine IJstijd.
Na een duidelijk klimaat-optimum in de eerste helft van de 16e eeuw (in geheel Europa profiteert men van betere graanoogsten), kunnen we omstreeks 1550 een nieuwe en nu nogal snelle verslechtering konstateren. Weldra beleven de Europeanen de koudste decennia sedert het eindevan de laatste grote zg. Würm-ijstijd, ca. 10.000 jaar geleden. Het vele koude weer, nu en dan onderbroken door opvallend zachte jaren, houdt aan tot ca 1700. Dan volgt een tijd van herstel (niet zonder terugslag), die tenslotte uitkloopt op het moderne klimaat-optimum van de eerste helft van de 20e eeuw. Tijdens de meest barre decennia, eind 16e eeuw, rond 1600, negentiger jaren van de 17e eeuw enz. ligt de gem. wintertemperatuur 1 a 1,5º C. onder het huidige niveau. Dat lijkt weinig, maar het is klimatologisch gesproken nogal veel en het heeft ingrijpende gevolgen op allerlei gebied. Allereerst voor marginale streken zoals Skandinavië (vooral Finland), Schotland en de hogere Alpenlanden. Gletsjers breiden zich uit, sneeuw- en boomgrens dalen. Veel nederzettingen moeten worden prijsgegeven, in Finland komt een groot deel van de bevolking om het leven en Groenland wordt geheel onbewoonbaar. In de Alpen ontstaat een hoogtevlucht en de Alpenpassen worden vaker onbegaanbaar. Achteraf verbaast het ons niet dat de beroemde tocht van Heemskerck en Barentsz die in 1596-1597 een zeeweg naar Indië zochten ten n. van Azië (en op Nova Zembla moeten overwinteren) zo slecht afliep. Niet alleen marginale en dus kwetsbare gebieden zijn in de Kleine IJstijd getroffen, zelfs Frankrijk en de Lage Landen hebben enkele keren met hongersnood te kampen gehad. Dat zoveel haring vanuit de koude IJslandse zeeën uitweek naar de Noordzee en dat wij na 1570 betrekkelijk weinig last van stormvloeden, zijn pluspunten die de Kleine IJstijd ons heeft bezorgd.
De Kleine IJstijd is ook een periode geweest van extremen. Zo kwamen naast erg strenge winters ook zeer zachte voor en wisselden ernstige droogteperioden af met heel natte jaren. Een en ander heeft te maken met het optreden van specifieke patronen in de luchtdrukverhoudingen en windcirculatie op het gehele n. halfornd, waarbij gebieden van hoge luchtdruk en lage luchtdruk geruime tijd (bijv. weken) op een bepaalde plaats kunnen blijven liggen (zg. blokkering). Daarbij gaan op onze breedte n. en z. luchtstromingen overheersen en die zijn verantwoordelijk voor de uitschieters".
Tot zover mijn geciteer bij J. Buisman in "Bar en Boos".
Vooral toen in de laatste alinea las van het geciteerde stuk, leek het alsof ik "onze tijd" herkende.
Spannend...
Quote selectie