Met het mogelijke naderen van de vorstperiode (mag ik het zo noemen?) en het ontploffende enthousiamse hier op WW heb ik geen run overgeslagen. Tot het op +72 kwam, en ik (zoals elke keer weer) met bier smijtend naakt door de straten rende om daarna liefkozend mijn schaatsen uit het vet te halen, vredig Finse winterliederen neuriënd. Vanaf toen geloofde ik het weermodellenland wel.
Aanvankelijk was ik teleurgesteld door de ijsaangroei: op plekken waar na een nachtje lichte vorst nog wel eens een mooi glad vlies lag, lag nu, ook na dagen stevige vorst, niets. Het werd zoeken naar slootjes en vaartjes waar je even het ijs op kon.
De gortdroge en snijdende ooster deed me denken aan '86: ook zo'n beendroge vorstperiode met zwart glij-ijs. Glij-ijs: daar smeekte ik al jaren om.
De afgelopen dagen heb ik geschaatst tot de spieren zeiden: en doe het nou zelf maar. Met een half oog op de weer-app was te zien dat dit weekend (eigenlijk zaterdag al) de dooi zou invallen. Gisteren was wat dat betreft dus een bonusdag en ik ben diep-gelukkig over het gladste ijs in járen gegleden, op de Reeuwijkse plas. En de dag daarvoor tegen een werkelijk intimiderende en bulderende oostenwind in op de Willemskop (bij Oudewater) geploeterd, om je daarna 1,5 km gratis terug naar het beginpunt te laten blazen, bij een Tmax van - wat zal het zijn geweest? - min 4 graden. IJswangen. Tinteltenen. En, dacht ik: wat zijn we toch een raar volkje, om in dit soort wreed weer massaal, vrouwen, kinderen, bejaarden, gelooide boeren en accountants, het ijs op te gaan en van de polder te genieten. En van het onnoemelijk mooie geluid van schaatsen op kei- en keihard natuurijs.
Bijzonder. Daarbij heb je geen modellen nodig. Ja, fotomodellen in schaatspakjes misschien.