Mij valt de hoge positie van 1959 op. Een soort rehabilitatie van de grote zomer uit mijn jeugd. Naar huidige maatstaven niet zo erg warm, oas door de koele nachten en door het afwezig zijn van hittegolven. Het is dus vooral het extreme aantal zonuren en mogelijk ook de droogte die 1959 voor dit jaar een eerste plaats bezorgde volgens jouw berekening.
Mooie zomers als 1983, 1994 en 1995 ontbreken in het lijstje. Is de temperatuur uiteindelijk niet een beetje ondergewaardeerd? Of is de neerslag overgewaardeerd? Dus, de vraag is: hoe ziet jouw berekening van die zomergetallen er precies uit?
Groet,
Cees
Het gaat hier vooral om de keuze van de periode vanaf 1 april. Daardoor vallen een paar mooie zomers met een slecht voorjaar of begin van de herfst af, en daaronder natuurlijk 1983, maar ook 1994. 1995 staat op een 13e plaats in de ranglijst, met ook wat punten in de zon- en droogtecategorie.
De temperatuur heb ik bewust dubbel geteld, omdat een gelijke behandeling net niet het goede resultaat gaf. Verder kun je het erover hebben of je de zonneschijn en de neerslag met gelijk gewicht moet behandelen. Dat heb ik nu dus wel gedaan. En je kunt de periode aanpassen, bijvoorbeeld vanaf 1 mei. Het eind is natuurlijk helemaal arbitrair; ik kijk stomweg tot 'nu'.
De berekening geeft puntenaantallen volgens de ranglijsten, voor de posities 1 tot en met 30. Zeer natte of sombere periodes vanaf 1 april tot nu worden dus niet negatief meegerekend. Koele tijdvakken komen door het dubbel tellen van de temperatuur bovenin de lijst niet voor, al staat 1921 maar op de 40e plaats in de temperatuur-ranglijst. Dat is echter nog boven de helft.