Hoi Marcus,
De eindconclusie was:
Als er geostroof evenwicht is (en dat is op 500 hPa vrijwel het geval) mag je een trog in de geopotentiële hoogte zien als een lijn van maximale relatieve vorticiteit.
OK.
De Laplaciaan is dus gelijk aan de divergentie van de gradiënt. Stel dat het 500 hPa vlak er ruimtelijk uitziet zoals hieronder.
De gradiëntvector van de geopotentiële hoogte G(x,y) wijst in de richting van snelst oplopende G. (edit: vergeet dat raaklijnverhaal)
In het punt X=0, Y=-4 is dat dus pal in de y-richting. In het punt X=0, Y=+4 is dat tegen de y-richting in. In het punt Y=0, X=-4 is dat pal in de x-richting en in het punt Y=0, X=+4 is dat tegen de x-richting in. Je voelt misschien al aan dat de gradiëntvector in alle punten richting het punt X=0 en Y=0 wijst.
Kortom: de gradiënt van G convergeert; de Laplaciaan van G is negatief.
Op die manier zie je dus dat Laplaciaan van G vaak negatief gecorreleerd is met G zelf.
Heb je een veld G(x,y) = sin[x]*sin[y], dan is de Laplaciaan van G gelijk aan de dubbele x-afgeleide plus de dubbele y-afgeleide, ofwel:
-G(x,y).
Groet,
Alwin
Quote selectie