Lucht wordt samengeperst en droogt nog meer uit waardoor die extra warm kan worden, is eigenlijk gewoon Fohn situatie.
Föhn werkt alleen als zodanig (extra opwarming) als aan de loefzijde condensatie en neerslag optreedt. Die warmte, latente warmte van de neerslag, wordt in hogere temperatuur merkbaar aan de lijzijde.
Extra opwarming door extra uitdroging bestaat niet, alleen in relatie tot genoemde neerslag. De opwarming van 1 graad per 100 meter van droge lucht vindt plaats aan de lijzijde. Als aan de loefzijde ook sprake is van droge lucht vallen adiabatische afkoeling van 1 graad per 100 meter weg tegen de adiabatische opwarming van 1 graad. Bij condensatie wordt het beeld gecompliceerd, maar zonder neerslag zal vrijwel het "spiegelproces" aan de lijzijde ook tot eenzelfde temperatuur leiden. Tenzij er veel vloeibaar vocht "aanslaat" op weg naar boven. En nogmaals, alleen bij neerslag verandert het beeld substantieel.
Groet,
Cees