De maximale daglengte kan je bereken voor iedere dag en die waarde is dan ook af te lezen aan de blauwe staafdiagrammen in de zonneschijngrafiek van het KNMI. Maar door horizonvervuiling en omdat je een minimale hoeveelheid straling moet hebben (afgesproken is minstens 120 W/m2) zullen stralingsmeters ook bij een staalblauwe hemel zonder bewolking, altijd minder dan dit maximum meten.
Beide aspecten zouden voor iedere meetpost meetbaar, of tenminste berekenbaar moeten zijn, voor iedere dag. De horizonvervuiling zal door het jaar heen min of meer hetzelfde blijven (in de winter is deze iets kleiner, omdat de bomen dan kaal zijn en omdat bomen groeien en er misschien ook soms een huis wordt gebouwd, moet dit bijvoorbeeld om de tien jaar opnieuw bekeken worden), en de minimale straling die nodig is, zal in de zomer sneller bereikt worden dan in de winter, omdat de zon dan steiler de hemel in klimt.
Deze, altijd lagere waarde, dan de maximale daglengte zou ook voor iedere dag in de grafiek weergegeven kunnen (moeten) worden en eigenlijk ben ik er ook voorstander van om bij deze waarde ook het percentage 100% te plakken. De zon kan dan weliswaar langer schijnen, maar is de rest van die tijd dus te zwak (of verscholen achter bomen bij de horizon) om door de instrumenten te worden opgepikt.
Dit alles opmerkende, zien we gisteren trouwens een goed voorbeeld van dat de totale inkomende straling bij een klein beetje (sluier)bewolking nóg meer kan zijn dan bij een volmaakt onbewolkte lucht! (zie foto).
Tot slot nog een aardig voorbeeld: Wageningen-Veenkampen zal altijd een kortere daglengte hebben en minder straling, want langs de westelijke horizon ligt de Utrechtse heuvelrug, waar de zon dus altijd iets eerder achter verdwijnt, dit vergeleken met een volmaakt 'vlakke' horizon, zoals op zee bijvoorbeeld.