Even de diktevergelijking erbij pakken van Wikipedia:
Deze formule houdt in dat de dikte van een luchtlaag gerelateerd is aan de gemiddelde temperatuur van de luchtlaag. z1 = 0 meter (zeeniveau), z2 = h is de hoogte van het station of roosterpunt boven zeeniveau en p2 is de daadwerkelijke luchtdruk op het station of roosterpunt. R en g zijn constanten. Tv is de gemiddelde temperatuur van de luchtlaag met correctie voor luchtvochtigheid. p1 is dan de luchtdruk herleid naar zeeniveau.
Je kunt de formule omschrijven naar p1 = p2 * exp(g*h/(R*Tv)) zodat alle bekenden aan de rechterkant staan en je p1 kan uitrekenen. Maar het probleem hier is dat de gemiddelde temperatuur (Tv) eigenlijk niet te bepalen is aangezien de luchtlaag in dit geval onder de grond ligt. In de praktijk wordt eerst de gemiddelde temperatuur op het station of roosterpunt van de afgelopen 12 uren berekend (om de dagelijkse gang eruit te halen). Vervolgens wordt ervan uitgegaan dat de temperatuur in de fictieve luchtlaag eronder elke kilometer neerwaarts met 6.5 graden toeneemt.
Op de Groenlandse ijskap kan het in de winter heel koud worden waardoor de 12 uur gemiddelde temperatuur op het weerstation of roosterpunt erg laag kan zijn. De gemiddelde temperatuur van de luchtlaag eronder (Tv) komt daardoor ook heel laag uit. Vanwege de hoge ligging (h = 3 km) wordt die veel te lage gemiddelde temperatuur dus over een dikke luchtlaag doorberekend in de luchtdruk op zeeniveau waardoor deze veel te hoog uitkomt. Op onderstaande kaarten zie je ook goed dat de hoogste luchtdruk op zeeniveau samenvalt met de laagste 2m temperaturen.
Je kunt daarom beter kijken naar bijv. de hoogte van het 700 hPa of 500 hPa vlak om te bepalen of er sprake is van een Groenlandhoog. Deze drukvlakken liggen meestal wel boven de grond.

