Dat komt omdat de berekening van het neerslagtekort altijd uitgaat van een nat stuk open grond waarin altijd 100% water beschikbaar is om te verdampen. Er is geen enkele vorm van compensatie voor een droge bodem.
De berekeningen zijn ook totaal onafhankelijk van vegetatie.
Het leidt een beetje tot 'nummer mania', omdat er maar 1 cijfer is die de droogte samenvat, voor heel Nederland.
Ik ben bekend met de methodologie die het KNMI hanteert, tot op zekere hoogte is het voor wat betreft dergelijke fantasie-maten vrij subjectief. Waar het bij het KNMI structureel fout gaat is de interpretatie en communicatie van de resultaten. Bij vlagen liegen ze wat mij betreft zelfs expliciet door dergelijke modeluitvoer metingen te noemen. Dat het KNMI zowel stelt dat warmte tijdens droogte wordt versterkt als gevolg van een afname van verdamping is niet te verenigen met de stelling dat verdamping toeneemt bij droogte. Het is van twee walletjes eten.
Voor het neerslagtekort van 1976 maakt het KNMI ook nog gebruik van de empirische omzetting van zonneschijnduur, ook wanneer gemeten globale straling beschikbaar is, zie bv:
https://www.weerwoord.be/m/3204082
Voor andere aannames als het gebruik van c=0.65 zelfs in 2100 onder RCP8.5 (KNMI "hoog") zoals aangehaald in dit artikel ontbreekt voor zover mij bekend ook elke onderbouwing. Dergelijke constanten, zoals ook de vergelijkbare alpha-constante van Prestley-Taylor, zijn slechts een gevolg van de heersende omstandigheden, geen daadwerkelijke (fysische) constante. Als de omstandigheden enorm veranderen (RCP8.5) lijkt mij de meest redelijke hypothese dat die constanten ook veranderen. Nota bene het proefschrift van Henk de Bruin maakt dat al duidelijk, maar ook vele andere Nederlandse proefschriften van bv vd Hurk, Jacobs, van Heerwaarden etc. Het feit dat de Deense meteodienst (DMI) c=0.7 gebruikt in een vergelijkbaar klimaat laat dit ook zien. De kans dat alle veranderingen elkaar magisch opheffen lijkt mij uitgesloten aangezien je al in de andere modeluitvoer kan zien dat bijvoorbeeld in de zomer temperatuur omhoog gaat en neerslag en luchtvochtigheid omlaag, dat duidt eerder op een afname in verdamping (en daarmee meer advectie van droge lucht over oppervlakten waar water beschikbaar is voor verdamping, zoals open water).
Ook van Aalst in z'n recente gesprek met Marcel Crok stelde dat de attributiestudies van het KNMI op basis van metingen zijn. Echter zijn vele alsnog gebaseerd op (zeer dubieuze) modeluitvoer zoals Thornthwaite (1948) voor potentiële verdamping. En zeker wanneer de gehanteerde modellen, letterlijk per definitie, niet proberen om werkelijke omstandigheden te modelleren is het ook ontzettend misleidend om zoiets te zeggen.
Ook iemand als vd Wiel heeft inmiddels een ontzettend slechte staat van dienst voor wat betreft dit onderwerp, dat kan inmiddels geen toeval meer zijn. Het KNMI zou er verstandig aan doen dergelijke problemen aan te pakken en bijvoorbeeld eindelijk eens een vervanger voor iemand als Henk de Bruin aan te nemen.