Opmerking 1: Volgens mij borduurt dhr. Visser het hele verhaal door op hetgeen ie in zin 1 zegt. Kortom, er is dus niets nieuws.
Opmerking 2: Leuk, het voorkomen van zo'n abrupte opwarming eens per 2 jaar. Feit blijft dat koud winterweer ondanks die 2 jaar minder en minder en minder is geworden de afgelopen 20 jaar.
Opmerking 3: Geen sterke west-oost gerichte jet is maar een slap begin. Stap 1 van de 6. Dat hebben zeker de afgelopen x-aantal jaar wel aangetoond.
Vraag 1: Hoe verklaart men de koude winters 1996 en 1997 zónder SSW dan, als men ook de behoefte voelt om de zachte winters uit de jaren 90 deels te verklaren aan de hand van die SSW?
Vraag 2: Het duurt een maand voordat de stratosfeer op het oude koude niveau is. Bij hoeveel graden opwarming gaat het roer om in de atmosfeer? En bij hoeveel graden afkoeling, komt die sterke westelijke stroming er weer in dan?
Vraag 3: Waarom moet zo'n opwarming aan het begin van de winter gebeuren? Er zijn volgens mij toch wel zoveel winters bekend die barre en/of langere vorstperioden kenden zònder SSW.
De stratosferische vortex, de NAO-index en onze winters
Het is al enkele jaren bekend dat er in de winter een verband bestaat tussen zeer lage temperaturen in de stratosfeer (boven 10 kilometer hoogte) en het weer nabij het aardoppervlak op de gematigde breedten. Wanneer de stratosferische vortex boven de Noordpool sterk en koud is, bevindt de NAO-index zich doorgaans in een positieve fase. NAO staat voor Noord-Atlantische Oscillatie. Bij een positieve NAO zijn de luchtdrukverschillen tussen IJsland en de Azoren groot en draait het depressiecircus op volle toeren. Dat betekent doorgaans een versterkte aanvoer van zachte, maritieme luchtmassa’s naar West-Europa. Is de stratosferische cyclonale vortex minder aanwezig (bijvoorbeeld vanwege een ‘sudden stratospheric warming’: afgekort SSW), dan is de NAO-index meestal negatief ofwel kleinere luchtdrukverschillen tussen IJsland en de Azoren. De aanvoer van zachte lucht naar West-Europa is dan geringer of valt, vanwege zich ontwikkelende hogedrukblokkades, helemaal weg. Januarimaanden met een negatieve NAO-index waren 1963, 1979, 1985, 1987, 1996 en 1997.
Uit een onderzoek van Charlton en Polvani (gepubliceerd in 2007) over de periode 1957-2002 blijkt, dat de frequentie van een SSW, waarbij de stratosferische temperatuur in de Arctische streken in enkele dagen tijd met tientallen (!) graden kan stijgen, zeer variabel is. Gemiddeld komen deze sterke, plotselinge ‘warmtegolven’ in november, december of januari eens in de twee jaren voor. Na een SSW duurt het soms meer dan een maand voor de temperatuur in de stratosfeer weer op het oude (lage) peil is. Vanaf de winter 1988-1989 tot de winter 1997-1998 zijn er echter geen SSW’s geweest. Dit verklaart deels de zeer lage temperaturen in de stratosfeer in de jaren negentig en de positieve NAO-index (en de vele zeer zachte winters).
Charlton en Polvani hebben in hun onderzoek uit 2007 aangetoond, dat er twee soorten SSW’s bestaan: één waarbij de stratosferische vortex zich naar lagere breedten verplaatst of een SSW waarbij de vortex zich in twee aparte stukken splitst. Van de 18 intense SSW’s op het Noordelijk Halfrond tussen 1957 en 2002 gingen er 8 gepaard met een splitsing van de vortex. Het is voor winterliefhebbers te hopen dat een SSW (sudden stratospheric warming) zich tijdens het begin of in het midden van de winter voordoet. De gevolgen van een SSW houden tot meer dan een maand aan en kunnen van grote invloed zijn op de NAO-index.
Op de foto: typische GWL (Grosswetterlagen) die in de winter garant staat voor pure kou (circulatietype: HNFa). De getallen geven de temperatuurafwijkingen ten opzichte van normaal aan.
Quote selectie