Hoi Alwin,
Ik denk dat snelle ijsafname op de elfstedenroute tijdens dooi ook het gevolg is van bemaling. Tijdens vorstperiodes wordt er Friesland doorgaans niet gestroomd, m.u.v. van afgelopen periode (tot grote ergernis van veel schaatsers). Maar zodra het gaat dooien worden de gemalen gelijk op volle toeren gezet, zeker wanneer de dooi gepaard gaat met een plens regen. In januari 1985 lag er ook nog een dik pak sneeuw wat snel wegsmolt. Dat gaf veel water op de landerijen en de sloten stroomden vol, wat moest dus worden weggepompt. Dat zorgde voor stroming en versnelde ijsafname.
Verder verloopt het smeltproces onregelmatig over het ijs oppervlak in tegenstelling tot de aangroei. Ik denk dat dichtheidsverschillen in het smeltwater daarin een rol spelen. Op de ijsvloer onstaan depressies waarin het smeltwater zich ophoopt waarbij het warmere water zich onderin verzamelt (Tsmeltwater ligt tussen 0°C en 4°C). Dit water zit dicht tegen het ijs aan en versnelt de afsmelt aan de bovenkant wat op haar beurt weer het reliëf vergroot. Uiteindelijk onstaan er dooigaten. Dan verloopt het dooiproces van nature al onregelmatig zodat er open plekken onstaan op plaatsen waar de wind tegen de wal terugkaatst bijvoorbeeld. Hier krijgt de wind vat op het water en brengt het in beweging. Zodoende onstaat er een kettingreactie van meer en grotere wakken, meer wind op het water, meer beweging en dus snellere afsmelt. Het ijs is dan binnen de kortste keren weg. Dit lijkt me allemaal lastig te modelleren.
Victor
Quote selectie