In het algemeen waait de wind niet van de gebieden van hoge druk naar de gebieden van lage druk, maar hij wijkt op het noordelijk halfrond af naar rechts: de "wet van Buys Ballot" ofwel de Corioliskracht (veroorzaakt door de de aswenteling van de aarde). Hoe geringer de wrijving, hoe sterker die afwijking naar rechts wordt; ze is dus in hoge lagen van de dampkring nog uitgesprokener dan hier beneden. Als de lucht dus van de ene plaats naar de andere stroomt, wordt hij daarin bij het aardoppervlak gehinderd door de ruwheid van het oppervlak; deze veroorzaakt de genoemde wrijving, die de luchtstroming weer afremt en tevens doet afbuigen. Het gevolg is dat de lucht niet precies evenwijdig aan de isobaren stroomt, maar enigszins naar de lage druk toe. De windrichting maakt een hoek met de richting van de isobaren. In de figuur hiernaast geven de pijlen de werkelijke luchtstroming vlak bij het aardoppervlak weer. Door de wrijving is de wind nu toch enigszins van hoge naar lage druk gericht.
Bij parallel lopende isobaren wordt de drukgradiënt op een gegeven moment gelijk aan de Corioliskracht. Daardoor zal de wind evenwijdig aan de isobaren gaan waaien: dit wordt de geostrofische wind (Vg) genoemd. In werkelijkheid voldoen isobaren maar over korte afstanden hieraan. De wrijving die de luchtstroom ondervindt dichtbij het aardoppervlak is nog een belangrijke kracht die de windrichting en kracht beïnvloedt. Door deze vertraging van de lucht neemt de windsterkte af en krimpt de wind op het NHR. Boven zee krimpt de wind relatief weinig t.o.v. de Vg: zo’n 10 graden. Boven land is dit gemiddeld 30 graden. Hoe stabieler de luchtsoort, hoe groter de hoek met de Vg-richting. Op zee is de windkracht circa 70% van de Vg-kracht, boven land kan dit afnemen tot circa 30%. Hoe stabieler de luchtsoort, hoe zwakker de wind is in vergelijking met de Vg-kracht.
Quote selectie