Het gaat ook meer om het verschil in dichtheid dan (enkel) om het smeltpunt. Bij zoetwater is de dichtheid het hoogste bij 4°C, dat zorgt ervoor dat kouder water bovenop blijft drijven, daardoor hoeft er maar een dunne laag water afgekoeld te worden om tot ijsvorming te komen. Bij zout water is de dichtheid het hoogste als de temperatuur in de buurt van het vriespunt ligt, rond de -1.8°C, daardoor zinkt het koude water en vormt er pas ijs als er een hele diepe laag is afgekoeld tot het vriespunt.
En omdat zout water bij gelijke temperatuur al dichter is dan zoet water blijft zoet water sowieso al makkelijk drijven boven het zoute water.
Goed, er zit dus een extra effect in waardoor een zoete bovenlaag makkelijker bevriest. Dat wist ik niet (allemaal). Maar het verklaart niet goed wat we hier zien. Komt het zoete smeltwater van de ijskap dan helemaal tot de buitenste rand van het zeeijs? En dat in de zuidelijke winter? Er zal toch wel interactie zijn als het onder het zeeijs doorstroomt. Bijvoorbeeld door er aan vast te vriezen.
Momenteel is er een grote anomalie. Als anomalie geen record, maar wel vindt het plaats tijdens de maximale uitbreiding van het zeeijs. Dat maakt het extra opvallend.
En daarbij dus de lage temperaturen in de hele gordel rond het zeeijs. Rond het noordpoolgebied zien we een afwisseling van positieve en negatieve anomalie, in het zuidpoolgebied alleen een negatieve anomalie.
Overigens wordt met een ijskap doorgaans ijs dat op het land ligt bedoeld, dus Groenland of Anarctica, niet zeeijs.
Heb je gelijk in, ik citeerde ook maar. Asley had het vervolgens over het zeeijs, niet over de ijskap.
Quote selectie