Voor Nederland geldt: een negatieve AO is geen garantie voor een koude of strenge winter, maar verhoogt wel aanzienlijk de kans hierop. Een positieve AO gaat zelden of nooit samen met een koude of strenge winter. (Weerspiegel 10 vorig jaar, artikel van Sebastiaan en mij).
Hier geldt dat je een doorwerking van factoren hebt: de relatie AO-koudegetal zelf (die geeft ~r=0.62, schrijven jullie, dus ~38% overeenkomst), de verwachting voor de AO en de kans dat de verwachting uitkomt (onzekerheid in de relatie). Je kan daarmee uitrekenen wat de kwaliteit van een verwachting is. Ondanks die aardige correlatiecoëfficiënt kom ik niet tot een bruikbare verwachting. Als je met 95% foutmarges werkt rond een verwachting, krijg je zoiets (combinatie van onzekerheid relatie AO-koudegetal en onzekerheid AO):
AO +2 = wintertemperatuur +2,0-6,5°C
AO -2 = wintertemperatuur -2,0°C-4,0°C
Normale wintertemperatuur: 3,4°C. In beide gevallen kan je dus een normale winter niet uitsluiten, maar bij zeer lage AO wel een duidelijk zachte winter respectievelijk bij zeer hoge AO een duidelijk koude winter. Maar een dergelijke verwachting rolt er zelden of nooit uit.
Met het koudegetal krijg je vergelijkbare grote marges:
AO +2 = 0-75 punten
AO -2 = 20-150 punten
Dus je hebt gelijk, een lagere AO betekent een grotere kans op een koudere winter, maar zelfs als je de AO vooraf exact weet, kan je er moeilijk een zinvolle kwantitatieve verwachting mee maken. In kwalitatieve zin is het iets makkelijker, maar dan moet je ook vrij soepel zijn in je normen voor koud/zacht.
Quote selectie