In feite zeg je het zelf al: hoe ondieper de beving, hoe groter de effecten aan de oppervlakte. Als je dus uitgaat van die effecten, dan zorgt een ondiepe beving met minder totale energie recht boven de plaats ervan voor evenveel effect als een diepere beving met meer energie. Je hebt dan metingen van andere stations en van meerdere soorten golven nodig om die diepte - en daarmee ook de energie - met enige nauwkeurigheid te kunnen vaststellen, want van een ondiepe beving met weinig energie merk je honderd kilometer verderop een stuk minder dan van een diepe beving met veel energie.
Doe me best om te begrijpen wat je hier nu bedoelt, maar lukt me niet echt eerlijk gezegd.
Een aardbeving heeft een bepaalde sterkte of dat nu op 10km of 30km diepte zit. Gaat om de maximale horizontale uitslag.
De onnauwkeurigheid in metingen die ontstaat is gerelateerd aan de afstand tot seismische stations. Als eerste seismisch station honderd kilometer verderop staat zal dat een onnauwkeuriger meting zijn dan als er eens station op 10km staat. Vaak worden de initiële automatische metingen dan ook manueel gereviewed en daar waar nodig bijgesteld.
Maar dat heeft dus meer met de nauwkeurigheid te maken in relatie tot afstand seismische stations dan met diepte van de beving zelf.
Een schaal waar de diepte wel direct op van invloed is is de schaal van Mercalli,
https://nl.wikipedia.org/wiki/Schaal_van_Mercalli,
hoe ondieper de beving hoe groter de effecten aan oppervlakte. Een minder zware beving op geringe diepte heeft dan meer effect dan een zelfde beving op grotere diepte.
Bekendste voorbeeld hiervan zijn dan nu de Groningse gasbevingen. In richter stelt het allemaal niet zoveel voor, maar door de geringe diepte en de grondsoort is effect groter dan je bij de kracht zou verwachten. Vandaar ook dat de diverse belangenorganisaties hier het vaak liever over deze schaal hebben dan over richter.
Quote selectie