De zon schijnt volgens WMO definitie als sprake is van directe instraling van 120 W/m2 in het zichtbaar licht-spectrum. De drempelwaarde is overeenkomstig het punt waarop oude Campbell-Stokes zonneschijnmeters een brandspoor begonnen te trekken op speciaal brandpapier. Dat is op z'n beurt weer ontworpen om te 'meten' vanaf het moment waarop schaduw te zien is. In de praktijk, zeker in de zomer, had je echter vaak zonneschijn op het brandpapier, terwijl er dikke cirrus was. De beleving was dan 'bewolkt', de meting was 'zonnig'. Dat is tegenwoordig niet anders met de stralingsmeters.
Een probleem is het meten zelf. In de praktijk kan directe instraling niet zo makkelijk worden gemeten. Het KNMI meet globale straling, dat is inclusief indirecte straling door verstrooiing in de atmosfeer en reflectie van andere oppervlakken. Met een formule wordt de gemeten globale straling 'ontdaan' van de indirecte straling. Daarbij worden aannamen gedaan wat betreft de natuurlijke reflectie en verstrooiing door deeltjes in de atmosfeer.
Het hele 'zonneschijn' gebeuren is mijns inziens gestoeld op inperfecte methoden en inperfecte definities. Wanneer de zon schijnt en wanneer niet, is een subjectieve menselijke beleving. Natuurkundig telt alleen straling, het is ook datgene wat relevant is voor bijvoorbeeld zonnepanelen. Straling kan je meten. We zouden eigenlijk moeten afstappen van zonneschijnduur en -percentage, en overgaan op stralingsom en relatieve stralingsom.