Een beetje een verwarrend inderdaad hoe ze beide studies door elkaar heen gebruiken. De uitkomsten van de oude studie (met de vier sceneario's) hebben ze gebruikt om figuur 1 te maken in het bericht op de site van het KNMI:
https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/toekomstige-zomers-mogelijk-droger-dan-gedacht
Ik ga er vanuit dat ze daar het "maximale potentiele neerslagoverschot" bedoelen zoals het KNMI die nu ook verstrekt op hun website, en niet het "maximale neerslagoverschot" zoals in de figuur staat. Het toepassen van die methode op de toekomstige scenario's heeft wat mij betreft niet zoveel zin. De Makkink-referentie verdamping die het KNMI hanteert staat bol van de aannames, die ik vanuit praktisch oogpunt wel begrijp, maar die aannames zijn in de toekomst niet zonder meer geldig. De gebruikte constanten zijn geijkt op waargenomen gedrag onder huidige omstandigheden, dat kan je niet zomaar extrapoleren naar hele andere omstandigheden. Planten ontwikkelen zich anders onder andere omstandigheden. Dat uit zich op allerlei gebieden maar een leuke is dat als je bij een reeds volgroeide plant het CO2 gehalte verhoogd zal de plant de huidmondjes meer dicht kunnen houden om dezelfde hoeveelheid CO2 naar binnen te hengelen. Laat je een plant zich ontwikkelen in dat hoge CO2 gehalte dan zal de dichtheid van huidmondjes in het blad afnemen.
Daar komt bij dat het gebruik van de referentie verdamping juist bij droogte problematisch is. Als planten te weinig water hebben neemt de verdamping af, logischerwijs is er dan meer energie voor opwarming van de lucht. Als gevolg daarvan stijgt de temperatuur en neemt de luchtvochtigheid af, die beide de verdamping potentieel verhogen (mits er voldoende vocht is) . Dit fenomeen ligt ten grondslag aan de "complementary relationship" (tussen werkelijke en potentiele verdamping). Referentieverdamping is niet hetzelfde als potentiele vedamping, maar beide nemen toe bij een hogere temperatuur en/of drogere lucht (Makkink neemt RH niet expliciet mee). Drogere/warmere omstandigheden zorgen dus voor een hogere referentieverdamping, terwijl de werkelijke verdamping omlaag zal gaan.
In de praktijk speelt een plant daar op op droogte de huidmondjes verder te sluiten, maar in de eenvoudige referentieverdamping wordt dat niet meegenomen. Dat laatste is prima is vanuit een hypothetisch oogpunt, maar zorgt bij droogte dus voor een overschatting ten opzichte van de werkelijke verdamping.
Maar goed, dat is allemaal met betrekking tot die oude studie. Want in die nieuwe studie hebben ze droogte gedefinieerd aan de hand van percentielen in het bodemvocht ten opzichte van de klimatologie (dat is figuur 2). Een hele andere definitie, wat de verwarring er niet minder op maakt, maar wat mij betreft wel een betere definitie van droogte is. De nieuwe studie is gedaan op basis van één scenario (RCP4.5). De voornaamste uitkomst wat mij betreft is dat de resultaten nogal afhankelijk zijn van de resolutie. Enkel als je aanneemt dat de hogere resolutie beter is (plausibel), en dat de gebruikte resolutie (nu wel) "hoog genoeg" is, kan je concluderen dat het bodemvocht in de zomer inderdaad zal afnemen. Voor zover ik snel kan zien gebruikt het model de HTESSEL parameterisatie voor de verdamping, wat wel aardig is verder, maar ook daar wordt geen rekening gehouden met toekomstige veranderingen. De CO2 concentratie is in het geheel geen onderdeel van het model (enkel de "surface scheme!)", terwijl dat toch fundamenteel is voor de mate waarin planten hun huidmondjes openen (en daarmee water verliezen). Voor huidige weermodellen snap ik dat wel, maar voor onderzoek naar klimaatverandering schuurt dat toch een beetje.
Dat klinkt wat negatief wellicht, maar juist door dit soort onderzoek te doen kan je stappen maken met de modelverbetering, dus ik waardeer het zeker wel.