Ten eerste: waarom is die overgang zo abrupt? Het lijkt echt in een paar minuten te gebeuren van zicht tot 4000 meter hoogte tot zicht tot 1000 meter hoogte. Of gaat het ook daadwerkelijk zo snel ten opzichte van de waarnemingsfrequentie?
Ten tweede: hoe verhoudt zich dit nu tot wat je eerder liet zien over dat nachtelijk windmaximum. Wat ik niet snap is dat er op hoogte flink wat wind kan staan, maar dit niet leidt tot menging. Of bedoel je dat voor menging en opruiming van de inversie er juist wind op lage hoogte nodig is?
Die eerste vraag kan ik niet beantwoorden. Aanname: er is een soort kantelpunt waarbij de mist/stratuslaag zo 'dik' is geworden, dat de lichtverstrooiing erdoor dusdanig is dat er boven deze laag geen detectie meer mogelijk is. Dat lijkt soms een abrupte overgang te zijn inderdaad.
De tweede vraag: zo'n nachtelijk windmaximum ontstaat na warme zomerdagen met een groot temperatuurscontrast tussen de lucht in de grondinversie en de lucht aan de top van deze inversie. Hier drijft dit windmaximum op, deze wind dringt juist niet door in de inversie zelf. In de winter is inderdaad voor opruimen van de inversie nodig dat de hele luchtkolom weer doormengt raakt, de inversie wordt dan als het ware weggeblazen door windtoename. Zijn echt twee verschillende situaties.