Hoe weet je dat de kans afneemt? Ik denk eerder dat de kans gelijk blijft, alleen moet je eerst (pak em beet) een graad bij de temperatuur optellen. Het verschil is dan dat wat we vroeger als een normale of iets te warme winter beschouwden, we nu in het rijtje iets te koud, resp. normaal moeten zien. Hoe is dan de verdeling?
Dat kan je aantonen door een benadering te maken van de kansverdeling voor extremen in bijvoorbeeld een aantal opeenvolgende 30-jaarsperioden. Temperatuur maar ook wind blijken een extreem-kansverdeling te hebben die de Gumbel-kansverdeling wordt genoemd. Je kan die kansverdeling gebruiken om een herhalingstijd te bepalen voor bijvoorbeeld een winter met Tgem<1. Dat is dan effectief je absolute kans op een winter met Tgem<1 (in die periode). Als je dat nou doet voor opeenvolgende onafhankelijke 30-jaarsperioden, dan blijkt dat met name in de 20ste eeuw de herhalingstijd van een winter met Tgem<1 is afgenomen.
Als je het hebt over een koude winter die relatief in de plaats van absoluut bepaald is, dan kan je de relativiteit inderdaad zo maken dat de kans op een koude winter gelijk blijft (bijv. een koude winter is er eentje die maar eens in de 50 jaar voorkomt). Zo is ook het wintergetal van IJnsen samengesteld: voor elk element waaruit het getal bestaat is gekeken wat bijvoorbeeld de waarde is van het aantal ijsdagen met een kans van 5% afgaande op de kansverdeling zoals die bepaald is uit een bepaalde referentieperiode. IJnsen stelde het aantal ijsdagen dat bij die 5% hoort gelijk aan het hoogst haalbare en verdeelde vervolgens op lineaire wijze 33,3 van de 100 punten waarin hij zijn wintergetal opdeelde over 0 t/m x aantal ijsdagen (waarbij x = 33,3 punten en 0 = 0 punten).
Gr. Ben
Quote selectie