Het belangrijkste bezwaar is echter wiskundig: als je rekent met getallen met één decimaal moet je gemiddelden e.d. óók met één decimaal tonen. Anders introduceer je een schijnnauwkeurigheid die er niet is. Zo kan het dus ook zijn dat in ranglijstjes bepaalde jaren in absoluut statistische zin niet goed zullen staan, daar wordt eerst gesorteerd op getal en dan chronologisch (de oudste eerst).
Stel het jaar 2001 haalde een jaartemperatuur van 10,61°C en 1959 haalde 10,56°C. Beiden zijn afgerond 10,6°C maar in een ranglijst zal 1959 toch boven 2001 komen omdat deze afgerond éérder 10,6°C behaalde. De 10,6°C van 2001 geldt dan als een evenaring van het record, ondanks dat het jaar op twee decimalen bekeken ietsje warmer was. Volgens mij is dat althans de manier waarop WMO/KNMI er mee omgaan, misschien kan Rob Sluijter uitsluitsel geven.
Gr. Ben
Dag Ben,
Ik heb wel vaker discussies gehad over het probleem van de meetfouten en hoe die tot hun recht moeten komen in bijvoorbeeld gemiddelden. Ook iets als het warmtegetal of het koudegetal moet op dit punt kritisch bezien worden.
Ik denk dat jouw benadering de gezondste is. Maar er zit natuurlijk ook een praktische kant aan. Het is nu eenmaal zo, dat een temperatuur opgegeven in 0,1° de nauwkeurigheid van de meting vertegenwoordigt en dat in die nauwkeurigheid een veelvoud van mogelijk fouten verborgen zit. Vandaar mijn benadering.
En wat denk je van een koudegetal van 345,9. Is die decimaal wel zo significant? Ik denk het niet. Door het optellen van ruwweg 100 daggemiddelden tel je ook de meetfouten op.
Tenslotte is er naar mijn idee een fundameteel probleem bij de temperatuurmeting, die maakt dat iedere meting kritisch moet worden bezien. En dat is het feit, dat we de temperatuur niet meten als fysische grootheid, maar afleiden uit fysische processen in materialen. Bij de oude kwikthermometer gingen we uit van de uitzetting van kwik en leidden daar een temperatuurschaal uit af. En dan weten we de toestand van het kwik. De temperatuur is pas later als fysiche grootheid gedefinieerd via de thermodynamica als de integraal van dQ/S. (Als ik mij goed herinner, het is lang geleden dat ik die materie bestudeerde)
Ik denk, dat aan dit principe fundamenteel niets is veranderd bij introduktie van elektronische instrumenten. We volgen een fysisch proces in een stukje materiaal en leiden daar vervolgens een temperatuur uit af. We bestuderen dus niet de toestand van de lucht. We hopen maar dat de omringende lucht in thermisch evenwicht (een tweede fysisch proces) is met de thermometer. Daar slagen we doorgaans goed in, neem ik aan. Maar kleine meetfouten sluipen hier binnen.
Ik zeg altijd maar: we meten de temperatuur van de thermometer. Die kennen we dus vrij nauwkeurig. Nauwkeurig hieruit de toestand van de omringende lucht afleiden is moeilijk en lukt onder goed gekozen omstandigheden met voldoende nauwkeurigheid. De kwestie van het homogeniseren van meetreeksen toont m.i. aan dat hier toch een belangrijk punt van (on)nauwkeurigheid ligt.
Over die records bij het KNMI: ik ben ook wel benieuwd hoe dit daar werkt. Je zou in zo'n geval van 10,56 en 10,61 beter over ex equo kunnen spreken. Als je toch een winnaar wilt uitroepen, dan kan je twee dingen doen:
1. lees meer decimalen af uit je berekening
2. gooi een muntje op.
Groet,
Cees
Quote selectie