Ik ben vorig jaar eens nagegaan of je de opwarming in de zomer ook wat zichtbaarder kunt maken.
Het is alom bekend dat zonnige zomers in de regel warmer zijn dan sombere zomers. Het overgrote deel van de variabiliteit in de zomertemperatuur (van jaar tot jaar) is zelfs terug te voeren op de variabiliteit in de gemiddelde relatieve zonneschijnduur. Hieronder is dit sterke verband te zien in de bovenste grafiek. Voor de periode 1901-1980 (zwarte punten) kun je met niet al te veel fantasie een rechte lijn door de puntenwolk trekken, wat duidt op een nagenoeg lineair verband (R = 0.7831). Als je de gemiddelde relatieve zonneschijnduur in de zomer weet, kun je dus een redelijke schatting maken van de gemiddelde zomertemperatuur, gegeven door de zwarte 'regressielijn' in de bovenste grafiek. In diezelfde grafiek zijn met rode punten de jaren 1981-2006 ingetekend. Meteen valt op dat de rode punten meestal boven de zwarte 'regressielijn' liggen, wat een structurele opwarming suggereert.
De middelste grafiek toont in blauw de zomertemperatuur volgens dit eenvoudige lineaire model, in rood de werkelijk opgetreden zomertemperatuur. De drie warmste zomers volgens het lineaire model zijn die van 1947 (±18.2°), 1976 (±17.9°) en 1959 (±17.8°); in werkelijkheid werd het resp. 18.7°, 18.4° en 17.3°. De drie koelste zomers volgens het lineaire model zijn de zomers van 1907 (±14.5°), 1987 (±14.9°) en 1988 (±14.9°); in werkelijkheid werd het resp. 14.3°, 15.6° en 15.8°. Als je de blauwe en rode lijnen met elkaar vergelijkt, valt op dat de pieken en dalen elkaar weliswaar redelijk volgen, maar dat de rode lijn vanaf de jaren '70 steeds verder boven de blauwe komt te liggen.
Het jaarlijkse verschil tussen de waargenomen en gemodelleerde zomertemperatuur is in de onderste grafiek weergegeven. Ondanks de 'ruis' is er een duidelijk decadaal signaal zichtbaar, met een flauwe piek rond 1940 en dus die sterke stijging vanaf de jaren '70. Naar schatting ligt de zomertemperatuur anno 2006 zo'n 1.2° boven de waarde die je op basis van de relatieve zonneschijnduur zou verwachten. De gelijkenis tussen de onderste grafiek en het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur is trouwens treffend, zelfs kwantitatief! Het lijkt me daarom logisch om de oorzaken achter het verloop van de onderste grafiek te zoeken in de factoren die het verloop van de wereldgemiddelde temperatuur bepalen. Dat zijn overigens niet alleen de concentraties van broeikasgassen, hoewel de recente opwarming niet te verklaren is zonder een toename daarvan. Andere factoren zijn interne (oceaan-)schommelingen, (vulkanische) aërosolen, veranderingen in landgebruik, en last but not least een wisselende intensiteit van de zon (zie www.realclimate.org).
Eenzelfde analyse is uitgevoerd voor Eelde (Groningen), een station waarvan de meetreeks uitblinkt in homogeniteit. Het verband tussen relatieve zonneschijnduur en de zomertemperatuur is wel wat zwakker dan voor De Bilt, maar de resultaten zijn vergelijkbaar. Ook op Eelde is een afwijking van 1.1° à 1.2° te zien anno 2006.
Wat mij nou zorgen baart is dat de reconstructies voor 2003 en 2006 nog duidelijk beneden de gereconstrueerde waarden voor bv. 1947, 1959 en 1976 liggen (blauwe lijn middelste grafiek). M.a.w., het kan in deze tijd nog (veel) heter dan in 2003 en 2006.
Groet,
Alwin
Quote selectie