Wel, toetsen is moeilijk. In 2006 was het grootschalig eigenlijk prima voorspeld: warme stratosfeer, geblokkeerde winter, enzovoort. In grote delen van Europa was het dan ook een koude tot zeer koude winter, maar helaas, de Benelux kreeg maar een kleine portie van al dat moois. Daar sta je dan met je voorspelling van een zeer koude winter.
Ik heb ook eens de Helmanscores van verschillende stations in Europa in de geschiedenis bekeken. Daaruit werd duidelijk dat regionale verschillen best groot zijn. Steden als Praag en Berlijn lijken soms in verschillende werelddelen te liggen. De grens tussen arctische en subtropische luchtmassa's is soms heel scherp. En de plas arctische kou is zelden extreem uitgestrekt.
Toevallig heb ik nog mijn verwachting van vorig jaar gevonden. Ik weet niet of ik die hier ook gepubliceerd heb, maar al bij al zat ik er niet ver naast, vind ik:
"Winterverwachting 2010-2011
Bedoeling is een overzichtje te geven van de parameters die ons winterbeeld kunnen bepalen.
Een belangrijk deel van de vermoedens is gebaseerd op de boeiende bijdragen van Karl Heinz Braun in het wetterzentrale forum.
Samenvatting: Groenland/Ijsland en oceaanblokkades maken een grotere kans dan gewoonlijk, scandihogen of krachtige Russische hogedrukgebieden die hun invloed tot over onze streken uitbreiden zijn minder waarschijnlijk. Geopotentiaal boven Noordpool zal eerder laag zijn. Slotsom: eerder positieve ao, eerder negatieve nao (gedefineerd als maat voor het luchtdrukverschil tussen Ijsland en Azoren)
Meer in detail.
1) La nina: la nina bevordert een sterk Aleoetenhoog, met ten oosten daarvan in Canada en het noorden van de VS laag geopotentiaal De invloed op Europa is onduidelijk. In het gemiddelde van la nina jaren zijn immers geen abnormale afwijkingen van de norm te halen. De straalstroom is normaal gezien wel krachtiger dan tijdens een El nino fase, maar of dat traject eerder noordelijk of zuidelijk loopt is onduidelijk.
Er is wel een duidelijk signaal in het noordwesten van Afrika. Daar zou het geopotentiaal lager zijn. Misschien suggereert dit toch een zuidelijker traject van de straalstroom. Vergelijkbare winters: 1956, 1957, 1965, 1972, 1974, 1976, 1989, 1999, 2009.
2) Invloed stratosfeer: een koude stratosfeer versterkt de troposferische poolwervel. Dit leidt tot krachtige depressies. Een lange door continentale hogedruk gedomineerde winter mag je bij zulke omstandigheden niet verwachten, maar noordstromingen met diep geopotentiaal boven Scandinavië zijn dan wel nog mogelijk. De combinatie QBO (index voor de kracht en richting (west/oost) van de zonale wind op 30hpa niveau in de tropen), zonneactiviteit en vulkaanactiviteit in de tropische regio’s bepaalt de kracht van de stratosferische en bij uitbreiding de troposferische poolwervel. Momenteel bevordert een QBO west en een vrij geringe zonneactiviteit een sterke stratosferische poolwervel. Vergelijkbare jaren: 1964, 1976, 1978, 1986, 1995, 2007, 2009.
3) AMO (atlantic multidecadal oscillation): momenteel bevinden we ons in de warme fase (warme noord-atlantische oceaan door versterkt poolwaarts warmtetransport vanuit de tropen). Warme fases vonden plaats in de periode jaren 30 tot begin jaren 60 en de periode 96 tot nu. Duidelijk koude fases waren er van begin 20ste eeuw tot halfweg de jaren 20, tweede helft jaren 60 tot halfweg de jaren 90. Warme fases worden gekenmerkt door hoger geopotentiaal ten zuiden van Groenland, IJsland en ten westen van GB. Dit bevordert dus krachtige oceaanblokkades met trog boven Midden Europa en hoog geopotentiaal boven Centraal Rusland en de omgeving van Nova Zembla. In West-Europa vertaalt zich dat in frequenter voorkomende Noord- en Noordweststromingen. In de zeewatertemperatuur sterk vergelijkbare jaren waren 1879, 1933, 1938, 1940, 1945, 1952, 1953, 1954, 1961, 1988, 1996, 1999, 2000, 2002, 2004, 2005, 2006.
4)PDO (Pacific decadal oscillation): momenteel bevinden we ons in de koude fase. De PDO is een maat voor de temperatuur in het noordelijk deel van de Stille Oceaan. Fases met een warme PDO waren de jaren 20 tot begin de jaren 40 en de jaren 80 en 90. Koude PDO fases waren kenmerkend voor de periode 1948-80. Een koude PDO gaat gepaard met lager geopotentiaal boven de Noordpool (positieve AO) en hoog geopotentiaal ten westen van Noord-Amerika en ten zuiden van Groenland/IJsland/ten westen van GB (negatieve nao). Vergelijkbare jaren waren 1921, 1934, 1949, 1951, 1956, 1962, 1963, 1971, 2000, 2001, 2002.
5) NAO periode juli-sep: de nao tijdens de zomer was negatief. Dit zou leiden tot dieper geopotentiaal in de buurt van de Beringstraat en boven de westkant van het Europese continent, hoger geopotentiaal in een strook ten noorden van de 50ste breedtegraad tussen Hudsonbaai en Spitsbergen met de meest positieve afwijkingen tussen Groenland en IJsland. Vergelijkbare jaren waren 1873, 1878, 1879, 1913, 1916, 1917, 1932, 1940, 1953, 1967, 1973, 1977, 1995, 1996, 2000, 2003.
6) Sneeuwbedekking Eurazië in oktober: vergelijkbare jaren met bovengemiddelde sneeuwbedekking leveren gemiddeld een duidelijk signaal in een band reikend van het oosten van Canada over Groenland verder naar het noordoosten (Spitsbergen) tot in de IJszee met kern tussen IJsland en Groenland (bovengemiddeld geopotentiaal), en in het noordoosten van Europa met kern nabij de Baltische staten (benedengemiddeld geopotentiaal). Vergelijkbare jaren: 1966, 1968, 1974, 1975, 1978, 1979, 1983, 1985, 1986, 1994, 1996, 1997, 2000, 2001, 2002, 2004, 2005, 2007, 2010
7) Klimaatopwarming: tel bij alles een graadje bij!
Conclusie:
Welke jaren krijgen de meeste noteringen?
1940: 2
1953: 2
1956: 2
1974: 2
1976: 2
1978: 2
1986: 2
1995: 2
1996: 3
1999: 2
2002: 3
2000: 4
2001: 2
2005: 2
2007: 2
2009: 2
Dit levert alvast een weinig eenduidig beeld op. Het jaar 2000 levert het beste aanknopingspunt. Dat was een duidelijke westwinter (met enkele opwaartse impulsen van het oceaanhoog).
Grosso modo verwacht ik een winter met een sterke straalstroom op een normaal traject, overwegend diep geopotentiaal boven de zeventigste breedtegraad (positieve ao), maar ook verhoogde kansen op oceaanblokkades en eventueel ontwikkeling van een Groenland/IJsland blokkade met een trog boven Scandinavië/Midden Europa. Een door continentale aanvoer gedomineerde winter lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Geen ijswinter dus. De kansen op noord(west)circulaties zijn groter dan normaal.
IK wil ook opmerken dat er geen signaal voor een klassieke zuidwestcirculatie (groot laag bij Ijsland, hoog boven de Alpen) te bespeuren is, eerder een opeenvolging van oceaanruggen die dan weer inzakken. Binnen die marge lijkt me een Helmangetal tussen 30 en 80 het meest waarschijnlijk."
De zachte winter van 2007 lag eveneens in de lijn van de verwachtingen. Ik heb nog een artikel van ene KH Braun op mijn PC waarin hij duidelijk een veel te zachte winter verwacht (op basis voorgeschiedenis, zeewatertemps, QBO, zonneactiviteit).
De winter van 2008 beloofde dan weer koud te worden, maar werd zacht.
mvg,
Dieter
Quote selectie